Höfner volgt na meer dan 100 jaar muziekinstrumenten bouwen de weg van Gibson, MusicMan, PRS en Fender. Sinds kort laat de Duitse fabrikant namelijk in China de Icon B en de Contemporary Bass bouwen, beide kopieën van de befaamde vioolbas of ‘Beatlebas’. De Bassist test de duurste van de twee: de Contemporary.
Sinds het beattijdperk is Höfner nooit gestopt met de productie van het model 500/1, zoals de vioolbas officieel wordt aangeduid. Een huidige Duitse Höfner-vioolbas is een mooi gebouwd instrument, en waarschijnlijk vele malen beter dan een exemplaar uit de jaren ’50-´60. Natuurlijk blijft het een bas met beperkte mogelijkheden. Voor moderne rock is het zeker niet de eerste keus; je moet al in een sixtiesband of een Beatles Tribute Band zitten om het instrument recht te doen. Natuurlijk is het wel een leuke bas voor ‘erbij’. Een Duitse Höfner kost echter zo´n 1700 euro. Voor dat bedrag koop je ook een mooie nieuwe Rickenbacker - ook al bekend van McCartney - of een mooie Amerikaanse Fender. Voor ‘erbij’ is een goedkope kopie dan misschien beter. Voor 300 à 400 euro koop je een leuk basje met toch wel dat herkenbare droge geluid.
Originele onderdelen
Maar nu komt Höfner zelf met twee veel betaalbaarder series op de markt. De Contemporary Series en de Icon B Series worden beide in China gebouwd. De Icon B is hiervan de goedkoopste. Binnenkort verschijnt dit instrument, dat slechts een paar honderd euro gaat kosten en zal gaan concurreren met de goedkope imitaties van andere fabrikanten. Voor de bouw van de Contemporary Bass stuurt Höfner originele Duitse onderdelen richting China. Deze bas is dan ook niet van ‘echt’ te onderscheiden. Voor ongeveer 700 euro heb je aan een Contemporary een hele leuke vioolbas met de naam Höfner op de kop! In Amerika zijn ze inmiddels niet aan te slepen en op papier heeft de fabriek dan ook een winnaar in huis gehaald. Maar hoe is-ie in de praktijk?
Middenbalk
Op het eerste gezicht ziet de bas er goed uit. Het houtwerk, de elementen en de slagplaat zijn typisch Höfner. Alleen de knoppen zijn iets te modern. Er zitten zilverkleurige plaatjes op de kopjes, maar het zijn de knopjes die je te vaak terugziet op standaard effectpedalen. Maar dat is een klein detail. Ik ben altijd bang dat ik iets stukmaak als ik op een Höfner-bas speel, omdat ze zo licht zijn. Bij deze is dat anders, want deze bas kan een stootje hebben. De Chinese 500/1 is iets anders van constructie dan zijn Duitse broertje: hij heeft namelijk een houten middenbalk. Gibson past dit bouwprincipe toe in zijn ES335-gitaar en EB2-bas. Het maakt de constructie steviger, geeft minder feedback en waarschijnlijk een iets strakkere toon. De bas is dan ook iets zwaarder. De kop heeft het typische Höfner-golfje, klassieke gitaarachtige stemmechanieken van hardwareleverancier Wilkinson en op de voorzijde in sierletters de merknaam. Om internationaler over te komen werd het merk lang als ‘Hofner’ zonder puntjes verkocht, maar de umlaut is alweer jaren terug.
De snaren worden bevestigd in een zwevend staartstuk. Daarna passeren ze de tweedelige houten brug met metalen zadeltjes. Deze zijn in vier gleuven te zetten en daardoor is de intonatie in beperkte mate afstelbaar. Tussen de twee houten delen vinden we draaikoppen waarmee aan beide zijden de brughoogte te verstellen is. Uiteindelijk lopen de snaren langs de medium frets en ze komen via de shortscale hals en een zogenaamde nulfret bij de topkam uit. Een nulfret is typisch Duits en typisch sixties. Op zich is het een goed principe, want de open snaren klinken dan als gefrette snaren. Burns past nog steeds nulfrets toe en ook de collega-Duitsers van Sandberg zetten ze op hun Fender-achtige bassen.
Schuifknopjes
De elektronica is snel onder de knie te krijgen. Twee knoppen regelen het volume voor beide elementen en daartussen zitten drie schuifjes. Met het schuifje Bass schakel je het halselement in en met schuifje Treble het brugelement. Slordig genoeg werkt het bij de geteste bas exact omgekeerd. De derde schakelaar geeft de keuze tussen Rhythm en Solo, waarbij de laatste stand een boost geeft. Deze knoppen zijn bevestigd op een parelmoerachtig plaatje, hetzelfde materiaal als de slagplaat.
De bas ligt lekker op de knie en hij hangt prima in balans. Wel is het enorm wennen op de smalle hals. Bij de topkam is de halsbreedte vergelijkbaar met die op een Fender Jazz Bass. Maar naar de body toe wordt de hals nauwelijks breder. Bij veel sixtiesbassen zit het ene element vlak bij de brug en het andere direct bij de hals. Midden op de body is er zo geen steun voor de rechterduim, dus een duimsteuntje zou geen gekke toevoeging zijn. Bij de brug is de snaarspanning te hoog en bij de hals heb je het gevoel dat je heel erg voor op de bas speelt. Maar ook dit went wel.
Helemaal retro
Ik plug de bas in een bijpassende reissue Vox T-15-basversterker, een ideaal klein apparaatje voor de juiste vintage-vibe op huiskamervolume. Het halselement klinkt lekker vol: warm, vet, houtachtig en met voldoende sustain. Het wollige ongedefinieerde doet me meteen denken aan andere halfholle sixtiesbassen als de DeArmond/Guild Starfire en de Epiphone Rivoli. Hij klinkt heerlijk achter akoestische gitaren of in een band met een retrogeluid. De Solo-stand boost het halselement. Beter gezegd: de stand Rhythm knijpt het signaal af en bij Solo staat het volume voluit. Het brugelement klinkt me iets te dun, want in zijn eentje levert het geen praktisch geluid. Voor een potje slappen kun je echt beter een ander basje zoeken. Met beide elementen open geeft de Höfner echter wel een interessant geluid. Dan heeft hij het warme en vette van een goede halselementsound, met toch net dat beetje definitie van een brugelement erbij dat het geluid bruikbaar maakt in een doorsnee rockband. De meest bruikbare stand lijkt beide elementen open en het halselement op Solo.
Lief om te zien
In de repetitieruimte bespeel ik de bas met een ouwe Vox-buizentop en een London City 4x12”-kabinet. Nu komt de Höfner helemaal tot leven. Het enige negatieve punt is mijn eigen gestuntel met de dicht op elkaar liggende snaren. De bas hangt lekker lichtjes aan de riem en de korte mensuurlengte nodigt uit om van die lekkere springerige McCartney-melodietjes te spelen. Live spelen op de bas staat gelijk aan het krijgen van veel opmerkingen. Iedereen herkent de bas en de oudere muziekliefhebber begint meteen over ‘vroeger’. Zelfs al is het ontwerp ietsje jonger, deze bas straalt veel en veel meer nostalgie uit dan een gemiddelde Fender en hij is gewoon lief om te zien.
Na een paar dagen spelen ben ik behoorlijk gewend geraakt aan de Höfner. Ik ben er zelfs een klein beetje van gaan houden. Zoveel karakter is dan ook moeilijk te weerstaan. De bas heeft enkele geluiden die prima in een moderne band passen, hoewel er altijd een bepaalde wollige jaren ‘60-saus overheen zit. Als iemand mij zou dwingen om maar één bas te bezitten, zou het waarschijnlijk niet deze worden. Maar voor het geld hoef je het niet te laten om er eentje aan te schaffen. De legendarische Höfner valt nu binnen het financiële bereik van vele fans. Koop er eentje, zet hem voor zo’n leuke reissue Vox T-25 in de huiskamer en je hebt veel meer bekijks dan met een Brood aan de muur.
Höfner Contemporary Bass
Land van herkomst: China
Body: hollowbody, esdoorn/Chinese spar
Hals: esdoorn, palissander toets, 22 frets
Mensuur: shortscale (30 inch)
Hardware: Höfner
Elementen: 2 Höfner HS11B ‘Staple Top’ humbuckers
Elektronica: 2 volumeregelaars, 2 elementschakelaars, Solo/Rhythm-schakelaar
www.hofner.com