In interviews in alle bassistenbladen lees je vaak hoe de geïnterviewde bassist zich haast te zeggen dat hij of zij helemaal niet is geïnteresseerd in ‘typische bassistenplaten’: albums met weinig muzikale inhoud, een grote rol voor virtuoze techniek en heel veel bassolo’s. Op dat laatste na is Enrico Galetta er goed in geslaagd om een typische bassistenplaat te maken. Ja, ik weet het, de waarheid kan soms hard zijn. Maar ik vind de muziek van deze Italiaan erg nietszeggend: dertien-in-een-dozijn-fusion met melodieën die nauwelijks hun best doen om in je gehoorgang te blijven hangen, ongeïnspireerd gespeeld door middelmatige studiomuzikanten. Het grootste deel van de muziek op 48 Hour Odyssey is nog net te tolereren, maar op het moment dat er een ‘piiii dap piie paaadiaa, taa diaaaaa hoeoeoeoe...’-zanglijntje opdook, moest uw recensent toch echt even een teiltje halen. Getverdemme, dat soort narigheid gun ik geen enkele medeliftpassagier, al stinkt hij nog zo uit zijn oksels. Bah. Bassist Galetta klinkt nog het lekkerst als hij fingerstyle en heerlijk in-the-pocket-grooves uit zijn vijfsnarige Sadowsky laat rollen. Helaas doet hij dat niet te vaak en is hij in de meeste nummers bezig om al slappend als een dolle een slechte Miller-Wooten-imitatie uit te poepen. En mag ik nog wat akeligs opschrijven? Soleren is leuk om te oefenen in je huiskamer, maar als je het wilt doen op een plaat of op het podium moet je er wel wat van kunnen. Anders haakt je publiek af. Galetta mist allereerst timing, maar ook melodische ideeën, frasering, expressie en opbouw. Kortom: Enrico, doe het niet! Zoek een gezellige coverband.