Vanuit een warme auto ziet het beeld van Ir. Lely op de Afsluitdijk, geteisterd door regen en wind, er extra kouwelijk uit. En het Friese platteland dat je tussen de Afsluitdijk en Sneek tegenkomt, is al evenmin hartverwarmend. Maar dan kom je in het prachtige dorpje Goënga, een lieflijk groepje oude woningen rond de onvermijdelijke kerk-met-begraafplaats. Bestemming: de woonstee van de familie Oosterhaven.
Jan-Ruerd Oosterhaven, de achttienjarige hoofdpersoon van deze aflevering van ´Op Bestelling´, heeft zijn eigen basgitaar gebouwd. Nu is dat op zich niet zo bijzonder: in 50 jaar Nederpophistorie hebben talloze muzikanten (en muzikantenvaders) met wisselend succes lint- en cirkelzaag losgelaten op afgedankte keukentafels en raamkozijnen. Omdat die Fender in de etalage van de muziekbuurtsuper nu eenmaal pas opgehaald kon worden na het bezorgen van nog zo´n 70.000 krantjes, hetgeen een muziekcarrière een paar jaar lelijk in de weg kan staan. Verschil is echter dat Jan-Ruerd zijn basgitaren bouwde als inzet voor een wetenschappelijk experiment: aan de hand van een paar kenmerken wilde hij enkele essentiële klankverschillen tussen basgitaren verklaren. Nog een verschil is dat Jan-Ruerd er op een wereldkampioenschap voor jonge brainiacs in Polen met één van de hoofdprijzen vandoor ging. Wat is het geheim van deze pittoreske werkplaats in Goënga?
‘Mijn eerste bouwsel was gewoon een Fenderkopie’, vertelt Jan-Ruerd. ‘Er klopte eigenlijk niets van, maar ik was er zielsgelukkig mee.’ Nu valt het met dat ´niets´ wel mee, maar de bas is echt ´on the fly´ gemaakt: men neme een stuk hout, tekene er een contour op en… de zaag erin. ‘Ik was lekker de contouren aan het bijwerken, en pas toen realiseerde ik me dat ik voor de potmeters wel een bepaalde diepte nodig had… Ik wist na die eerste bas dat ik aan innerlijke rust moest werken. Het bouwen van instrumenten kan gewoon nooit een haastklus zijn. Je moet vooraf nadenken, zaken uitproberen, en soms een idee loslaten.’ Maar waarom bassen bouwen als experiment? ‘Dat komt doordat ik drie jaar geleden, alvast voor mijn eindexamen VWO, met mijn docent natuurkunde zat te brainstormen over een onderwerp voor m’n profielwerkstuk. Ik zat toen in de vierde, en had dus nog genoeg tijd. Ik besloot toen twee basgitaren te bouwen: één die echt een houtklank zou hebben, een beetje in de richting van de contrabas, en één die modern, snappy zou klinken, en dus echt als slapbas inzetbaar zou zijn. En intussen leerde ik ook basgitaar spelen. Die docent steunde dat experiment helemaal.‘
De favoriete bas Na een tweede kop koffie komt bas nummer één op tafel. Jan-Ruerd kan het niet laten om zijn favoriet als eerste te presenteren: een loodzware fretloze bas met een mahonie body. ‘Ik zocht de warmte van een Gibson Les Paul, en koos dus voor een mahonie body. De gevlamde esdoorn top is zo dun, eigenlijk vooral “voor het mooi”, al kan het best zijn dat het nog een beetje edge aan de toon geeft.’ In zijn verhaal komt timmermansjargon als ´dosse´ en ´kwartiers gezaagd´ voorbij. Hoe komt hij aan die kennis? ‘Internet. Ik heb gewoon alles wat er daar te vinden is over hout en basbouw gelezen. Ik ben op zagerijen gaan kijken, om te begrijpen waar dat hout vandaan komt. Om een goede bouwer te worden moet je toch ook een speciale liefde voor hout hebben. Op bijvoorbeeld Wikipedia is alles te vinden over zaagrichtingen en wat dat voor de klank, stevigheid en de “vlam” in het hout betekent.’
Zo hout mogelijk Jan-Ruerd had inmiddels bedacht dat hij een houten brug wilde gebruiken, om daarmee de ‘houten’ klank van het instrument te benadrukken. ‘Intussen ben ik er achter gekomen dat de bouwers van F-Bass en nog talloze anderen dat ook allang verzonnen hadden. Nou oké; maar ik had het ook bedacht. Ik ging ervan uit dat, aangezien op een contrabas ook een houten brug gebruikt wordt, mijn houten brug ook een ”houten” karakter aan mijn bas zou geven. Het moest een geschroefde hals worden, omdat neck-through-bassen vaak wel heel erg één bak sustain opleveren. Dat gaat ten koste van het ”leven”. Maar ik heb er, voor de stabiliteit, wel weer zes schroeven ingezet.’ De halsinzet is opgedikt met een mooi stukje fijnhout. Ook voor de klank? ‘Nee, gewoon verkeerd gerekend. Maar ik vond het achteraf eigenlijk wel mooi, ik denk dat ik het er voortaan in houd… De Makassar-ebben toets is ook een overeenkomst met de contrabas. Ik heb er een voorversterker ingebouwd. Ook zelf gebouwd, compleet met printplaatje. De middenfrequenties zijn veranderbaar, zodat je echt aan je geluid kunt werken. Leuk in theorie, maar in de praktijk staat die voorversterker uit want hij ruist nogal, en eigenlijk vind ik de bas zonder heel die voorversterker beter klinken. Er zit ook een passieve toonregelaar bij, en die gebruik ik wel. Nee, de elementen heb ik niet zelf gebouwd, dat zijn gewoon standaard Lindy Fralin-enkelspoels.’
Het slapmonster Bas nummer twee heeft een hard-essen body. ‘Swamp ash, ofwel moeras-essen, is veel sneller gegroeid, en heeft een meer open, zachtere structuur. Dat hoor je. Dat hard-essen heeft meer “bite”, en klinkt iets ieler. De hals is van esdoorn, en er zit ook een esdoornen toets op. Ik ging ervan uit dat dat iets meer hoog zou opleveren, wat minder midden, en ook iets minder sustain dan een ebben toets. Voor de brug heb ik gewoon zo’n appelig Fender-achtig bruggetje gebruikt. Niet zo’n blok metaal, daar geloof ik eigenlijk niet in. Je wilt toch ook hout horen?’ Belangrijk verschil is natuurlijk het feit dat er op deze bas ook frets zitten. ‘Mooiste was natuurlijk geweest als ik een hele serie bassen had gebouwd, met steeds één onderdeel verschil. Maar de portemonnee wil ook wat, en ik heb deze bassen toch ook vooral gebouwd om op te spelen. Je gaat niet iets bouwen waar je eigenlijk niet in gelooft, alleen voor het experiment.’
Shanty-koor Wanneer Jan-Ruerd zijn fretloze bas omhangt en aansluit, blijkt ook meteen waar hij ‘vandaan’ komt. ‘Tribal Tech, met Gary Willis op bas. Dat is een belangrijke inspiratiebron voor me. Ik speel die stijl ook graag live.’ En dat blijkt: de ‘signature-licks’ zijn herkenbaar, maar vooral - behoorlijk virtuoos. Jan-Ruerd en zijn bas zijn een twee-eenheid. ‘Ik kan deze bas echt laten spreken. Hij doet precies wat ik bedoel. Ik sla vrij zacht aan; hij is precies daarop afgesteld, de toets zingt en knort, maar als ik wil dat de toon er meteen is, dan is ie er ook. En, waar veel van die fretloze ”hifi-bassen” erg dun kunnen zijn, heeft deze een geweldige drive.’ Wanneer ik zo vrij ben om de bas zelf ook eens om te hangen, ga ik zowat door mijn stutten. Alsof je twee bassen om je nek hebt! Maar de beloning is er naar. Jammer van die zinloze toonregeling-knoppen - dit instrument heeft niets nodig. Iedere noot staat als een huis of zingt als een kerkkoor. Slechts één noot, tegen de body aan (op een plek waar een verstandige bassist nauwelijks komt) klinkt als een Shanty-koor. Hier zit de ‘wolf’ verborgen, zoals iedere goede bas er wel ergens één heeft. Maar met wat werken speel je ook daar doorheen. Wát een geweldig instrument! Ik zou ‘m zó mee naar huis nemen.
Mark King Het ‘slapmonster’ is een ander verhaal. Eigenlijk vindt bouwer dezes het instrument van ondergeschikt belang. ‘Hij mist de drive die ik in m’n eigen (!) bas zo lekker vind.’ Maar daarmee doet Jan-Ruerd zijn nummer twee toch echt te kort. Want dit instrument spettert als een frituurpan met natgeregende kroketten… Waarbij de ook al niet geringe slaptechniek van het jonge talent opnieuw een rol speelt, trouwens. Ik vind ook dit instrument lekker spelen, al is het inderdaad echt het type ‘hifi-bas’ dat op dit moment minder in de mode is. Veel hoog, wat minder midden, meer een ‘Jazz Bass type Mark King’, zeg maar. Met én zonder toonregeling. De toonregeling stelt inderdaad niet zo veel voor, maar geeft toch een klein beetje extra aan het instrument. En (hoewel niet echt dramatisch) wat extra ruis. ‘Ik zet ‘m nooit aan. Ik heb zo al genoeg hoog.’
Prijzenkast En hoe zat het nou met die medailles? ‘De eerste wedstrijd was uitgeschreven door de Rijksuniversiteit Groningen. Ik deed - met wat aanmoediging van m’n natuurkundeleraar - mee in de categorie natuurkunde, en won de tweede prijs.’ Als gevolg van die prijs kon Jan-Ruerd meteen door naar Polen. ‘Nou, daar was ik echt de underdog. Het was een enorme conferentie, met deelnemers uit de USA, uit Indonesië, echt allemaal van die jonge wetenschappers. In Groningen was het vooral vragen beantwoorden, hier moest ik een verhaal van een kwartier houden. Ik durfde eerst eigenlijk niet zo goed meer, maar besloot toen gewoon uit m’n hoofd over m’n passie te vertellen. En dat ging best aardig; er kwamen een paar van die volzinnen uit á la ”there ’s no art without science”, de verbinding tussen kunst en wetenschap, over Stradivarius, over dat juist voor een instrumentbouwer natuurkunde niet het enige is, en over hoe je levenslang op zoek kunt blijven naar de X-factor. Tussendoor kon ik m’n bassen ook demonstreren, zodat ik kon bewijzen wat ik stond te vertellen. Resultaat: een top drie-notering, tussen al die superbreinen…’
‘De toekomst? Ik groei steeds meer naar contrabas toe. Het gaat sowieso een combinatie worden van beroepsmatig bouwen én spelen. Ik hoop ook een keer bij een contrabasbouwer in de leer te gaan.’ Tot dat moment is Jan-Ruerd in het Groningse stadscentrum te vinden, contrabas of basgitaar op zijn rug en versterker op een kar. ‘Zo veel mogelijk spelen met goede muzikanten, het podium op! En voorzichtig blijven met gereedschap. Met de lintzaag en de cirkelzaag kan ik alles, maar bij de schaafmachine blijf ik uit de buurt. Die is me te wild!’
Jan-Ruerd Oosterhaven Jan-Ruerd Oosterhaven is 18 jaar. U zegt? Inderdaad, 18 jaar. Een paar jaar geleden zag hij een video van Paul Reed Smith over het bouwproces van de gelijknamige elektrische gitaren, en daarna was er geen houden meer aan: hij ging zijn eigen basgitaar bouwen. Nu hielp het natuurlijk dat vader Sibbele in een lokale big band speelt, en zijn eigen archtop jazzgitaren bouwt. En dat zowel vader als grootvader (Jan) behoorlijk thuis zijn in de elektronica werkt ook niet tegen. Maar dat iemand die opgroeit in het prachtige Friese dorpje Goënga een bijna onwaarschijnlijk fanatisme voor zowel het bespelen als voor het bouwen van basgitaren ontwikkelt, is bijzonder. Naast zijn bassenbouwerij studeert Jan-Ruerd sinds een jaar contrabas aan de jazzafdeling van het conservatorium van Groningen. Hoe dan ook; Jan-Ruerd werkt inmiddels aan zijn volgende bassen (er ligt een aantal losse halzen en flink wat fijnhout in de schilderachtige werkplaats waar hij zijn ideeën over de basgitaar in vorm overzet). ‘Rust, reinheid en regelmaat’ heeft hij op het whiteboard in de ruimte naast het atelier geschreven. Beetje oubollig, of juist ironisch? ‘Nee, gewoon mijn onrust. Ik schreef dat op om mezelf geduld bij te brengen. Ik wil nogal eens doordraven, en lekker ongeduldig proberen alles in één keer af te raffelen.’
East Guitars & East Bass Vader en zoon hanteren inmiddels ieder hun eigen logo: ‘Eastguitars’, met een verwijzing naar de achternaam Oosterhaven en een stylering die iets meer naar de gitaar en de G-sleutel verwijst is het merk van vader Jan, die uitsluitend voor zichzelf bouwt. ‘Eastbass’ is het merk (meer gevormd naar het model van de bassleutel) waarmee zoon Jan-Ruerd uiteindelijk ook de markt op wil: ‘Op dit moment bouw ook ik alleen voor mezelf. Er liggen nog wat halzen klaar, en ik ben druk bezig met een zessnarig fretloos model. Dat gaat ook echt een eigen model worden.’ Waarmee niet gezegd is dat Jan-Ruerd nu een wilde fantasievorm gebruikt. Ook de nieuwe bassen zijn ‘rustig’ van vorm, en duidelijk is dat speelgemak en balans centraal staan bij de firma ‘Eastbass’.
Foto's: Henk Veenstra
         
Klik voor meer foto's |