Rhonda Smith

Geschreven door Marten Schulp

Smit_internetZeven jaar lang baste ze bij Prince, naar eigen zeggen de uitdagendste baan die een muzikant zich kan wensen. Rhonda Smith heeft inmiddels met drie andere funky dames de band C.O.E.D. en bracht eind 2006 haar tweede soloalbum uit. C.O.E.D. was deze lente met Candy Dulfer op tournee door Europa, en De Bassist liet die kans om Rhonda Smith te spreken niet aan zich voorbijgaan.

‘Isn’t Candy Dulfer the nicest woman in the world?’, vraagt Rhonda Smith tussen twee happen door. De bassiste krijgt van Dulfer een bord eten aangereikt, terwijl ze ons in de twintig minuten tussen soundcheck en concert te woord kan staan. Eten: het zoveelste ding dat ook nog even tussendoor moet op zo’n hectische tourdag. In de kleedkamers van De Oosterpoort in Groningen is Rhonda het dan ook even kwijt. ‘Is dit een Duits tijdschrift? Of nee wacht, Zwitsers! Wat, Nederlands? Oh. Sorry, we hebben gisteren nog gespeeld in Bulgarije, we hebben nauwelijks geslapen. Om vier uur vanochtend zaten we in het vliegtuig en vanaf het vliegveld hebben we zeven uur in de bus gezeten om hier te komen. En dat terwijl we een paar dagen geleden nog in Amsterdam waren. Nu zijn we dus weer in Nederland?’ Het lijkt de band nauwelijks te deren, want ’s avonds spelen de vier een onderhoudende set funky popsongs en groovende jazzfusion. Naast Rhonda Smith hebben ook drumster Sheila E. en gitariste Kat Dyson bij Prince gespeeld. Chronicles Of Every Diva, of kortweg C.O.E.D., wordt aangevuld door toetseniste Cassandra O’Neal.

‘Eigenlijk is deze band een droom waar Sheila al een paar jaar mee rondliep’, vertelt Rhonda Smith. ‘Kat Dyson en ik waren iets van twaalf jaar geleden op de Musikmesse in Frankfurt. We demonstreerden gitaren op de stand van het merk Godin. Daar hebben we Sheila voor het eerst ontmoet, zij was daar om een drummerk te promoten. We vonden het meteen al een erg grappig idee dat we een bandje zouden kunnen vormen met alleen maar meisjes. Sheila was dat allang van plan. Maar je weet hoe dat gaat met zulke plannetjes: toen we terug waren in Amerika kwam er van alles tussen. Sheila had van ons allebei een promopakketje gekregen en dat materiaal heeft ze heel slim doorgespeeld aan Prince. En uiteindelijk wist ze ons dus met z’n drieën de begeleidingsband van Prince binnen te loodsen.’
‘Maar nu zijn we dus zelf een bandje, met Cassandra op toetsen erbij. C.O.E.D. is eigenlijk begonnen op een verjaardagsfeestje van Kat. We hadden een surpriseparty voor haar georganiseerd op een bowlingbaan en gingen daarna naar een jazzclub, lekker drinken en naar de band luisteren. Opeens keken we elkaar aan en zeiden: nu is het moment daar! Laten we zelf een bandje beginnen. In diezelfde club hebben we toen meteen een optreden geregeld. Spelen in een begeleidingsband kan te gek zijn, zeker bij een artiest als Prince. Maar nu wilden we wel eens aan het roer van ons eigen bootje zitten in plaats van meedeinen op het passagiersbankje. Op het moment geven wij allemaal de prioriteit aan deze band; als we de tijd niet hebben dan maken we die wel. Al wonen we allemaal in de buurt van Los Angeles, het blijft moeilijk plannen, want alle vier hebben we andere projecten ernaast.’


Op je nieuwe solo-cd RS2 doe je iets waarvan veel bassisten zeggen dat het niet kan, namelijk de combinatie maken van een ‘liedjesplaat’ en een plaat waarop de bas op de voorgrond staat.
Ik doe in elk geval mijn best. Ik hou van de veelzijdigheid van de basgitaar. En ik ben dol op popsongs. Houden van popsongs wil niet zeggen dat je elke muzikale uitdaging uit de weg gaat; die twee dingen spreken elkaar niet tegen. Ik hoef alleen geen plaat te maken die de hele tijd gaat van “TRRRRR” [trekt vies gezicht en doet machinegeweer na]. Van die bas-cd’s met alleen maar snelle licks, daar zijn er al zoveel van. Ik heb zelf al niet het geduld om naar zo’n hele plaat te luisteren. Na één liedje zeg ik: oké, volgende! Wat betreft die songs: ik heb niet de beste zangstem die je je kunt voorstellen, maar hij is oké en heeft iets aparts. Gecombineerd met de bas kan ik daar in de studio leuke dingen mee doen. De basgitaar inzetten als leadstem werkt lang niet altijd, het blijft erg tricky. Maar als je een beetje zoekt, kun je veel leuke mogelijkheden vinden om basstemmen in je popsongs te stoppen. Als akkoordinstrument, als diepe basstem en ook als lead. Zeker op de fretloze bas, dat is zo’n mooi instrument!’


Hoe ben je in aanraking gekomen met de basgitaar?
‘Ik ben de jongste in het gezin, ik heb twee broers en een zus. Mijn ene broer, die vijftien maanden ouder is dan ik, bracht op een dag een basgitaar mee naar huis. Ik was toen veertien en mijn broer zei tegen me: “Raak die bas niet aan!” Als er iets is wat je nooit moet zeggen tegen je kleine zusje, dan is dat het. Dus zo is het begonnen. Vanaf dat moment was ik bezeten van die basgitaar. Ik zat de hele tijd te oefenen, speelde mee met platen. Mijn broers kochten lp’s van Stanley Clarke voor me met Kerstmis en ik leerde die dingen van buiten. Mijn moeder riep dan telkens: “Genoeg bas! Hou nou eens op met dat lage gerommel!” Ik had in die tijd helemaal geen duidelijk beeld van wat ik ermee wilde; ik wist niet welke muziek ik wilde gaan spelen, wat ik met mijn leven wilde doen of welke opleiding ik wilde volgen. Ik wist alleen maar dat ik bas wilde spelen. Dat is moeilijk op zo’n leeftijd. In die fase zegt de hele buitenwereld tegen je: “Zo. Je bent klaar met school. En wat ga je nou doen?” Gelukkig heb ik deze beslissing genomen. Die heeft me veel vreugde en geluk gebracht. Ik heb altijd gezegd: als ik van het instrument hou, dan houdt het instrument ook van mij. Als je houdt van wat je doet, zul je er altijd verder mee komen.’


Heb je ooit les gehad?
‘Niet echt, ik ben een autodidact. Ik heb pas lessen gekregen toen ik naar de universiteit ging om jazz te studeren en ik moest leren strijken op de contrabas, het verplichte bijvak.’


In een biografie las ik dat Prince je in het begin heeft gevoed met heel veel funk- en soulmuziek. Dat verbaasde me; was er dan zo weinig zwarte muziek te horen op de plek waar je opgroeide? Hoe kwam dat?
‘Dat kun je wel zeggen. Ik ben opgegroeid in Montréal, Canada. Wat daar uit de radio kwam en live werd gespeeld was bijna uitsluitend witte rock & roll, jazz en fusion. Je moet weten dat ze in Canada erg dol zijn op muzikale kruisbestuivingen. Ken je bassist Alain Caron en zijn groep Uzeb? Als je in Montréal zo’n band had, dan kreeg je wel optredens! Dat kun je je tegenwoordig niet meer voorstellen, maar dat was daar toen echt zo. Alain Caron was best bekend toen ik nog klein was. Voor mij als bas spelende tiener was zo’n fretloze bas daardoor ook niet zo vreemd. Maar goed, naast die fusion was er dus een hoop rockmuziek. Rush, Led Zeppelin, Yes, Hendrix, The Beatles, The Police, noem maar op, en natuurlijk begon de new wave net op te komen. Zwarte muziek hoorden we in Montréal echt heel weinig. Toen we bij Prince terechtkwamen, had ik dus behoorlijk wat in te halen. Gelukkig had hij er veel geduld mee. Ik heb een hoop naar Larry Graham geluisterd. Trouwens, wat ik zeg, is niet helemaal waar. Toen ik nog in Canada woonde, ging ik met een drummer uit Amerika en die heeft me ook een hoop geleerd. Die gaf me allerlei soul- en funkplaten waar ik in Canada nooit aan had kunnen komen. Ik heb ze grijsgedraaid!’


Heeft dat ook niet een positieve kant? Hoe minder muziek je ter beschikking hebt, hoe intensiever je die beluistert?
‘Ja, zo werkt dat vaak wel. Om een baslijn, een song of een muziekstijl te leren, moet je keer op keer naar die muziek luisteren. Zo ging dat automatisch met de rock uit mijn jeugd, en zo ging dat met de funk en soul van Prince. Op zeker moment komt het gevoel dat de muziek bij jou ingebakken is. Toen ik jonger was, vereiste het wel meer werk om muziek uit te zoeken. Dan moest ik steeds de naald van de plaat halen en terugzetten. Dan doe je vanzelf beter je best om goed te luisteren en iets in één keer na te spelen.’


Je zingt en bast tegelijkertijd. Da’s niet makkelijk. Hoe heb jij jezelf dat geleerd?
‘Niet nadenken! Ik kan niet bassen als ik erover moet nadenken. De leadzang moet de absolute prioriteit en onverdeelde aandacht krijgen. Ik kan niet mijn brein in tweeën delen en met de ene helft bassen en met de andere helft zingen. Dus die baspartij moet ik automatisch kunnen spelen, zodat ik erbij kan zingen. Soms is dat fysiek erg uitdagend. Prince had eens zo’n liedje, Didn’t Cha Know van Erykah Badu. Daarin zijn de baspartij en de zang zó tegengesteld in gevoel en opvatting! Het waren twee compleet verschillende ritmes dwars door elkaar heen. Maar ja, Prince deed wat ie altijd doet: hij zei: “Het is moeilijk, maar probeer het gewoon. Vroeg of laat lukt het je wel.” Ik moest het heel, heel langzaam instuderen, want het was een kwestie van coördinatie. Maar het lukte me! Uiteindelijk deden we het live, en ik speelde de baspartij automatisch en kon me concentreren op het zingen. Ik zou elke bassist aanraden om in zijn band achtergrondkoortjes te gaan zingen. Dat is niet eens zo moeilijk voor een bassist, omdat je jouw eigen koortjes kunt afstemmen op de basnoten die je speelt. En het is makkelijker om je zangpartijen te onthouden op die manier.’


In een band speel je de hele tijd bas en zijn er steeds losse momenten waarop je zingt. Betekent dat niet dat je de bas soms bewust bespeelt en dan weer op de automatische piloot? Is dat verschil hoorbaar en is dat erg?
‘Het valt mee. Want tijdens het spelen is het toch zo dat je aandacht op allerlei fronten nodig is. Op geen enkel moment heb je honderd procent van je aandacht bij het bassen. Als je het beheerst, dan klinkt het goed en constant van kwaliteit. Weet je, ik probeer er gewoon niet te veel over na te denken. Stem en bas zijn allebei instrumenten, dus die hebben allebei soms wat extra aandacht nodig. Als je baslijn eenvoudig is en je zingt op dat moment niet, ben je misschien weer meer met je hoofd bij de sound van de band als geheel.’


Wat je vertelt over Prince klinkt als een bandleider die zich terdege bewust is van zijn rol als coach en inspirator van de jonge muzikanten in zijn band. Hij neemt mensen aan in wie hij gelooft, maar hij begeleidt en stuurt hen ook, iets waar bijvoorbeeld ook Miles Davis om bekendstond. Wat heb je zoal geleerd van Prince?
‘Ik kan me geen moeilijker en uitdagender baan voorstellen dan muzikant zijn bij Prince. Het is een leerschool die je voorbereidt op een enorm scala aan mogelijke situaties. Prince is een heel veeleisende man, op een goeie manier: hij wil het beste van jou hebben. Dus hij daagt je altijd uit. Hij is zelf trouwens een te gekke bassist! Hij heeft me een hoop geleerd. En in feite heb ik ook een stuk van zijn feel overgenomen. Want wat dat funkbassen betreft: ik had van tevoren al een hoop bestudeerd van Larry Graham, maar Prince komt wat bassen betreft van een heel andere planeet. Je leert daarnaast een hoop van het spelen voor mensenmassa’s van 20.000 tot 50.000 man. Dan heb je helemaal geen tijd om zenuwachtig te worden! Je moet het gewoon doen. Ik heb in die tijd meer gespeeld dan ooit. We hadden lange repetities, uitgebreide soundchecks, de concerten, afterparty’s, het ging maar door! Soms waren we twaalf uur per dag aan het spelen. En ik heb meer mensen ontmoet dan ooit tevoren in die periode, daar heb ik nu nog steeds profijt van.’

 

www.rhondasmith.com



 

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen