| Tot diep in de nacht is hij bezig geweest met repetities van de musical Ciske De Rat, die begin oktober 2007 in première gaat. Henny Vrienten is totaalverantwoordelijke voor de muziek, schreef de liedjes en leidt de muzikanten en de zangers. ‘Als een waakhond bewaak ik mijn noten, en dat is hard werken. Maar daar ben ik niet zo bang voor.’ De man die als bassist en leadzanger van Doe Maar in de jaren ’80 hordes tienermeisjes in katzwijm kon doen vallen, wordt volgend jaar 60 maar weet nog lang niet van ophouden.
Jarenlang heeft Henny Vrienten voornamelijk muziek geschreven en geproduceerd voor films en televisieseries, uiteenlopend van Sesamstraat tot de Mulisch-verfilming The Discovery Of Heaven. In 2000 kwam Doe Maar kortstondig weer bij elkaar en volgend jaar gaat Vrienten op tournee langs de theaters. ‘Drie jongens met gitaren: Frank Boeijen, Henk Hofstede en ik. Ik heb enorm veel zin om weer te spelen, ik ben tenslotte muzikant. Een bakker bakt. Toch ben ik eigenlijk iemand die het liefst in een hoekje gaat zitten om dingetjes te maken. Je moet gewoon doen waar je zin in hebt.’
Respons Het is voor Vrienten de eerste keer dat hij een muziektheaterproductie onder zijn hoede heeft. Wel maakte hij eerder de liedjes voor de voorstelling Jan, Jans En De Kinderen, en onlangs nog adviseerde hij de muzikanten en zangers van de musical Doe Maar. ‘Inhoudelijk was ik niet bij die voorstelling betrokken, ik heb alleen geholpen met de bandsound en de zang. Dit is iets heel anders. Ter voorbereiding van de koninklijke première in Carré staan we zes weken in het theater in Hoorn. Alles komt nu bij elkaar: decor, zangers, ensemble, en de arrangementen komen binnen. Er werken zo’n 160 mensen mee. Qua organisatie ben ik van mijn filmmuziekproducties wel wat gewend, met het regelen van grote orkesten en alles, maar in ingewikkeldheid slaat dit alles. Ik vind het echt fantastisch om te doen. Ineens krijg ik respons van de spelers, zoiets merk je bij het maken van filmmuziek nooit. Iedere dag staan 60 mensen mijn werk te zingen: het leeft en elke dag is het onderhevig aan hoogte- en laagtepunten. Muziek die wordt uitgevoerd, is anders dan muziek die je inblikt.’
Dingetjes bedenken in een hoekje Vrientens muzikale leven beweegt zich voortdurend tussen die twee manieren van werken: het uitvoeren van muziek enerzijds en aan de andere kant het ‘inblikken’ ervan. Met een kleine nadruk op het laatste. ‘Ik ben meer een maker dan een speler’, zegt hij. ‘Dat is de lijn van mijn leven. Ik zit graag in een hoekje dingen te bedenken. In de tijd van Doe Maar gingen de jongens op vakantie en ik zat demootjes op te nemen. Vanuit die werkwijze heb ik ook altijd de bas benaderd. Ik ben natuurlijk een gemankeerde bassist. Vroeger speelde ik gitaar in een bandje waarvan de leider op het conservatorium had gezeten. Hij was de absolute vorst van het bandje, en hij zei: “Vrienten, het lukt je niet met die gitaar, dat zijn twee snaren te veel. Ga jij maar eens bassen.” Vanuit de positie van een maker van muziekjes heb ik geleerd dat een bas niet hoeft te freaken maar vooral stevig moet grooven. En vanuit de baspositie kun je meecomponeren. Dat is altijd mijn streven: het contrapunt zoeken op de bas, een lijn maken die zelf een tegenmelodie is. Daarbij ben ik, al was het onbewust, hevig beïnvloed door Paul McCartney. Hem vond ik altijd waanzinnig; al zijn baslijnen hebben mij op een vreemde manier meegezogen. Vroeger luisterde ik gewoon, zonder de muziek te analyseren. Nu weet ik hoeveel die melodische baslijnen van McCartney voor mij hebben betekend.’
Nootje voor nootje Zulke baslijnen vereisen een hoop schaaf- en schuurwerk voordat ze af zijn. ‘Ik wil consistent zijn! Als ik een riff verzin, dan doet die meestal iets met de melodie, maar tegelijk moet hij ook zijn basfunctie vervullen. Dat wil ik dan volhouden door de hele song heen, en dan wil ik ook nog dat er een dynamisch verschil komt tussen coupletten en refreinen. Dat moet je goed uitzoeken en er veel tijd in steken. Nootje erbij, nootje eraf. Vooral eraf. Grote gaten laten, dat werkt het beste.’
Vrienten trok in de Doe Maar-tijd de uitwerking van de muziek dan ook grotendeels naar zich toe, en daartoe kreeg hij alle kans. ‘Ernst schreef veel betere teksten dan ik, maar kwam vaak met niet meer dan een rudimentair akkoordenschema. Ik ging daarmee aan de haal en mocht helemaal loos gaan. Iedereen droeg wel ideeën aan voor songs, maar in de studio was ik een soort kanon dat maar ideeën bleef afvuren: “Doen we dit, doen we dat, doen we het zus, doen we het zo...” Mijn nummers waren altijd af als we de studio in kwamen. De baslijn had ik dan voor elkaar, en zo had ik een heel stevige vinger in de pap bij elk liedje.’
Rechtgetrokken polka ‘In de tijd vlak voordat ik bij Doe Maar terechtkwam, was ik helemaal in de ban van ska en reggae. De hele dag zat ik apestoned naar Toots & The Maytals te luisteren. Die reggae- en skamuziek ontstond toen een stel hele stonede negers die Amerikaanse muziek gingen naspelen vanuit een Caraïbisch ritmegevoel en dus het accent op de derde tel legden. Onze muziek gaat altijd van: hom, pa, hom, pa. Westerse muziek is rechtgetrokken polka. Maar op die Caraïbische manier ging alles vreselijk swingen. Ze maakten in de studio een enorm diep basgeluid door kartonnen dozen om de versterker heen te zetten. Dan kwam alle diepte in de toon rechtstreeks in de microfoon terecht. Het reggae-basidioom is in die tijd in mijn hoofd gaan wonen. Als ik aan mijn liedjes werkte, dan was het daar aanwezig als bron. Maar ik heb nooit baslijnen letterlijk bestudeerd. Mijn zoon studeert basgitaar aan het conservatorium van Amsterdam, en ik zie hoe hij bezig is met analyseren en naspelen. Ik denk dat niemand het met me eens zal zijn, maar ik ben ervan overtuigd dat je de riffjes die je bestudeert ook in je eigen spel toelaat. Dus waar blijf je dan zelf?’
‘Maar goed, ik was dus helemaal in de ban van de reggae toen Ernst Jansz me vroeg voor zijn band Doe Maar. Ik kende hem al van twee tours die ik met hem gedaan als begeleiders van Boudewijn de Groot. Na wat aarzeling trok het me toch wel. Doe Maar speelde een mix van stijlen: licht-Caraïbische muziek, een ska-nummertje hier en daar, noem maar op. Ik zei toen: “Volgens mij moet je kiezen in het leven. Dus als je wilt dat ik bij jullie kom bassen, dan moeten we reggae gaan spelen.” Nederlandstalig was helemaal niet mijn idee van muziek maken, ik vond dat erg raar maar Ernst deed dat nu eenmaal heel goed. Ze waren net bezig met een plaat en kwamen nog enkele liedjes tekort. Die heb ik toen in één dag geschreven. Dat waren onder meer Sinds Een Dag Of Twee en Smoorverliefd.’
Groenogige recorder De heftige periode die Vrienten vervolgens meemaakte als tieneridool in een mateloos populaire popgroep is in talloze bladen en boeken goed gedocumenteerd, maar Doe Maar is uiteraard slechts een van zijn muzikale gezichten. Al veel eerder speelde Vrienten in bandjes, en eigenlijk is hij al net zo lang bezig om te experimenteren als componist en producent van zijn eigen opnamen. ‘Mijn eerste bandrecorder kreeg ik van mijn moeder, een oude Grundig met zo’n groen oog. Maar rond mijn achttiende ging ik er serieus mee bezig. Zo heb ik al die ontwikkelingen meegekregen, van het knutselen met sound-on-sound-recorders via een viersporen TEAC tot aan de Otari RADAR waarmee ik nu werk. Om een echo te maken zette ik vroeger een microfoon in een plastic emmer en zong daarin. Van zulk geëxperimenteer profiteer ik nu nog steeds. Soms zet ik hier op de vide een microfoon op de houten vloer. Dan ga ik beneden in de studio contrabas opnemen... je weet niet wat je hoort. Dat levert een aards geluid op, met een heel natuurlijke ruimtelijkheid.’
Die ruimte wordt gevormd door de houten vloeren en plafondbalken in zijn weergaloos mooie pand aan een grachtje vlakbij de Amsterdamse Nieuwmarkt. Boven woont Vrienten, en beneden is een complete opnamestudio ingericht. ‘Hier kan ik ook grote groepen en akoestische instrumenten opnemen voor mijn filmmuziekprojecten’, vertelt hij. ‘Ik hou niet van geprogrammeerde muziek uit de sequencer, ik componeer ook niet op de computer. Wel gebruik ik samples als hulp bij het componeren, maar ik speel alles realtime in. Daarvoor gebruik ik veel toetsinstrumenten, gitaren, contrabas, bassen, piano, xylofoon, vibrafoon, noem het maar op. Boven op die basis worden dan in de studio strijkers en hout- en koperblazers opgenomen. Eigenlijk maak ik nu klassieke muziek op de bandjesmanier.’
Koester de onvolmaaktheid Het is tekenend voor Vrientens benadering van muziek maken. Muziek hoeft niet perfect te zijn, sterker nog: in de onvolmaaktheden laat de muziek haar menselijke kant horen. ‘Ik denk dat in heel veel muziek van tegenwoordig alles zo vergaand geprogrammeerd en vastgelegd is dat het toeval verloren is gegaan. Ik hoor de laatste jaren echt te veel dooie muziek. De albums van Doe Maar dateren van vóór het computertijdperk. Zoals je weet waren wij erg scheutig met echo’s en galmpjes. Als we de eindmix maakten, moesten we die effecten stuk voor stuk met de hand aan- en uitdrukken. We stonden met zijn zessen aan de mengtafel - de mixer, de technicus en de band - en iedereen wist: op díe klap moet ik de galm indrukken. Was iemand een seconde te laat, dan gaf dat de mafste effecten, en soms lelijke. Dan deden we het opnieuw of we koesterden de fouten. Daardoor wordt de muziek minder dan perfect, maar komt ze wel tot leven en zo ontstaan er nieuwe, creatieve dingen.’
Ook in zijn huidige werk koestert Vrienten de imperfectie. ‘Je zei zojuist dat veel van de huidige filmmuziek uit kastjes komt: samples en geprogrammeerde partijen. Zo werk ik zelf dus absoluut niet, want het resultaat klinkt morsdood. Als je twee tonen aanslaat op een piano, dan creëren ze samen in de lucht een belofte van een derde toon. Het zou de volgende toon kunnen zijn van de compositie waaraan je werkt. Echte instrumenten leven, ze geven inspiratie. Bij een toon uit een kastje gebeurt er geen reet met de boventonen. En wat de boventonen met elkaar doen in de ruimte, dat is essentieel voor de beleving van muziek. In 1940 nam men grote orkesten op met één microfoon, en was het de kunst om alles in balans te krijgen. De technici van toen konden dat bereiken met enkel hun microfoonopstelling, en het orkest kon zelf zijn balans maken. Ik hou enorm van de menselijke maat in de muziek, de menselijke aanwezigheid die zich kenbaar maakt in de onvolmaaktheden. Zo vind ik een knerpend gitaarglissando of het geluid van het pedaal van een vleugel een legitimatie om echte instrumenten op te nemen. Terwijl veel technici die bijgeluiden willen vermijden. Nu begin ik een beetje te chargeren, hoor, maar het mooie van heel veel kunst is dat er een soort sluier over ligt. In muziek en geluid is dat te vertalen als vervorming. En dan bedoel ik geen storende, krakende fuzz, maar een warme, diffuse vervorming die je kunt bereiken met analoge apparatuur. In cd-geluid mis ik de vervorming in de lage tonen. De technologie van de lp kan eigenlijk de lage geluiden als de bassdrum en de basgitaar niet goed aan. Daardoor worden die geluiden altijd iets vervormd, maar dat gebeurt zo mooi dat de klanken met elkaar versmelten. Die versmelting mis ik in digitaal geluid. Ook heeft vinyl niet dat hinderlijke hoog, die nare lichte chorus die ik hoor op bijna alle cd’s.’
Dromen van de gitaar Inmiddels is Henny Vrienten naar eigen zeggen een beetje losgeraakt van de popmuziek. ‘Ha, de enige keren dat ik nog drums gebruik in mijn producties, is in mijn liedjes voor Sesamstraat. Gitaren zal ik altijd blijven gebruiken, ik ben dol op gitaren. Dat is trouwens wel kenmerkend voor mannen van mijn generatie. Tegenwoordig kun je overal gitaren kopen, maar vroeger waren ze er gewoon bijna niet. Die ene gitaar die je zag staan in het blaadje Tuney Tunes, wekte dan een immens verlangen op. Als veertienjarig jongetje kon ik soms een middag voor de etalage van een gitarenwinkel blijven staan kijken hoe de knopjes erop zaten. Niet voor niets is de gitaarvorm uiterst vrouwelijk met zijn welvingen, en tegelijk een mannelijk symbool door zijn uitstekende hals.’
Muziek is van iedereen Voor de huidige situatie in de muziekindustrie heeft Henny Vrienten weinig goede woorden over. ‘Muziek is belangrijk voor mensen, en zeker voor kinderen. Daarmee bedoel ik iedereen onder de twintig. In je adolescentie word je helemaal gek van bepaalde muziek, en die wil je dan horen. En dan vraagt de platenindustrie twintig euro voor een cd, zijn ze helemaal knettergek geworden? Dit is een fantastische tijd voor mensen die van muziek houden, ze kunnen het gewoon uit de lucht plukken. Kinderen mogen al mijn muziek jatten; als de muziek in de lucht had gehangen toen ik veertien was, had ik het ook gedaan. Toen ik veertien was, ben ik wekenlang elke dag met buikpijn naar Tilburgse platenboer gelopen, want Sergeant Pepper’s Lonely Hearts Club Band van The Beatles was net verschenen. Toen ik hem eindelijk had, heb ik een maand lang niets anders gedaan dan die lp helemaal stukdraaien. Muziek is nu makkelijker beschikbaar en dat is alleen maar goed. Uit principe ga ik dan ook niet met een dichtgenaaide mond op de foto om te protesteren tegen het downloaden. Ik geloof in het oude romantische idee dat muziek geen handel is, maar van en voor iedereen is. Het idee van de bard met zijn luit, die zingt voor en iemand die tegenover hem zit te luisteren.' |
Reacties
RSS lijst voor reacties op dit bericht