Michel van Schie

Geschreven door Eelke van Ark

peter_de_jong___internetHij kreeg een gitaar in zijn handen gedrukt door een tante, rond zijn zestiende. De bas ontdekte hij bij toeval tijdens gitaarles, hij had er zelfs nog nooit een gezien. Ongeveer eenderde eeuw later behoort Michel van Schie (48) tot de crème de la crème van de Nederlandse muzikantenscène. Door collega-muzikanten werd hij al geëerd met een Duiveltje voor Beste Bassist van de Lage Landen. Zijn motto: ‘Ik ben een bassist-bassist.’

‘Toen ik jong was, was ik veel te druk. Voor mezelf, bedoel ik. Toen ik net begon met spelen oefende ik als een gek, wel acht uur per dag als ik het redde’, memoreert Michel van Schie achter een bakje koffie aan de keukentafel van zijn ruime appartement in hartje Rotterdam. Het is niet moeilijk om je dit voor te stellen als je hem hoort praten over muziek. Vol energie praat hij over het bassen, druk gebarend en drum- en baslijntjes naneuriënd. Hij doelt ook op zijn spel in die tijd. ‘Als ik die hele ouwe opnamen nu hoor, denk ik: tja... Het is wel goed hoor, maar echt een beetje blufferig. Dat doe je als je jong bent. Tegenwoordig gaat het langzamer: dom-tie-dom... en hup, ’t is functioneel. Tussendoor doe je een keer iets flitsends, maar niet meer zoals vroeger het hele nummer lang.’


Flashy dingetjes
‘Wat dat betreft ben ik een echte bassist-bassist. Je hebt bassisten die in hun eentje heel erg mooie dingen op de bas kunnen spelen, echte virtuozen zijn dat. Pom, dingetje hier, pom, dingetje daar... Heel flashy en erg knap dat je dat op zo’n instrument kunt, maar naar mijn mening heeft dat niets met basspelen te maken. Dat is volgens mij echt het vervullen van de baspartij in een band. De bassist-bassist speelt functioneel, in dienst van het nummer. Hij kan wel eens uitstapjes maken en een solo uit zijn mouw schudden, maar heeft niet de intentie om de hele avond te schitteren, juíst niet. Dat vind ik geweldig.’

Trijntje Oosterhuis, Candy Dulfer, Jan Akkerman, Postmen en Anouk; het is maar een greep uit Michels balboekje vol gerenommeerde artiesten. Begin jaren ’80 volgde hij de eerste Nederlandse opleiding Lichte muziek op het Rotterdams Conservatorium. Vanaf dat moment stond hij als het even kon op het podium en hij speelde zich bij collega-muzikanten en grote namen in de kijker. Als sessiemuzikant is Michel dan ook op heel veel platen te horen en staat hij met grote regelmaat op de planken in binnen- en buitenland. ‘Je hebt twee soorten sessies: die waarbij je speelt wat er op papier staat - dat kan iedereen - en die waarbij je ingehuurd wordt om je vakmanschap, om partijen op een andere manier te interpreteren of zelf te maken. Het verschilt heel erg per artiest. Candy bijvoorbeeld laat je heel vrij in je spel, dat is leuk om te doen. Maar als er al een goede baspartij geschreven is, speel ik die met net zoveel plezier. Bij Anouk verzonnen we de partijen in de studio. We kregen een cassettebandje met demozang mee om te luisteren, met akoestische gitaar als begeleiding, en in de studio zaten we dan in een kringetje met elkaar te spelen. Je probeert eens wat en Anouk zegt dan, of beter gezegd, zei dan: “Dat is leuk” of “Dat wil ik anders.”’


Neder-wave voor de grap
Waar creatieve mensen samenwerken, daar gebeurt nog wel eens spontaan iets heel nieuws. Zo was Are You Kidding Me van Anouk oorspronkelijk bedoeld als een heel ingetogen nummer in de stijl van Tracy Chapman, in plaats van de energieke rockplaat die het uiteindelijk werd. Michel: ‘Die kwam er echt heel spontaan uitvliegen. In de bus naar de studio zaten we met de muzikanten te dollen. We speelden alle nummers van Anouk in Dutchbeatstijl. Toontje Lager, die sfeer, een beetje Neder-new wave. In de studio gingen we nog even door met dat nummer, tot iemand riep: “Dit klinkt te gek, laten we het eens zo opnemen!” De drummer begon een Police-achtig ritme, in de stijl van So Lonely, en ik ging daarin mee, voor de grap. Bij de tweede take bleken we het echt te gaan opnemen. Voor ik het door had, was de opname begonnen en moest ik spontaan iets bedenken, anders had het veel te veel op het loopje van So Lonely geleken. Dat hoor je nog aan het begin van het nummer. Raar is dat, als je naar een coverbandje staat te kijken die nummers spelen die jij zo hebt ingespeeld. Bij Are You Kidding Me doen ze het trouwens bijna allemaal fout.’

Michel heeft inmiddels zoveel bijdragen aan platen op zijn naam staan dat hij het zelf nauwelijks bijhoudt. ‘Een tijdje geleden stond ik in een winkel rond te neuzen en er stond muziek op. Ik stond niet echt te luisteren, maar op een goed moment trok het liedje dat op de radio was op de een of andere manier de aandacht. Dat klinkt goed, dacht ik nog. Een paar tellen later herkende ik de stem van Trijntje, het was volgens mij Vlieg Met Me Mee, en realiseerde ik me dat ik daar zelf aan het bassen was, haha. Ik denk dat het kwam doordat we de tape in de studio opgenomen hebben zonder zang. Ja, dan staat Tjeerd een beetje mee te zingen, maar Trijntje heeft later pas de band ingezongen.’


Zo simpel mogelijk
‘Mensen horen mijn stijl terug op platen, zeggen ze. Zelf merk ik dat niet zo. Maar het is natuurlijk waar dat iedereen onbewust wel vaker dezelfde dingetjes gebruikt. Het valt wel op als ik bas, maar het is niet zo dat ik nou de hele avond snelle loopjes speel. De groove spelen, het ritme ondersteunen, dat vind ik leuk. Zo simpel mogelijke baslijnen zo veel mogelijk effect meegeven. Hoe? Door uit te filteren en goed te luisteren. Ik luister altijd eerst een beetje wat nodig is. En hoe je op de drums kunt inspelen.’

‘Er zijn meerdere drummers waar ik graag mee werk, ik heb niet echt één favoriet. Hans Eijkenaar hoort daar zeker wel bij, heb ik veel mee gewerkt. Maar ook drummers als Martijn Vink, Martijn Bosman en Ton Dijkman. Allemaal hebben ze een heel andere eigen stijl, maar allemaal zijn het te gekke drummers. Drummers die ik minder gaaf vind, hebben vooral geen goede feel of spelen gewoon niet strak genoeg. Wat ik dan meestal doe, is toch gewoon luisteren naar de partij van de drummer en meegaan in zijn feel. Je kunt het wel een beetje corrigeren, maar als je op zo’n moment gewoon eigenwijs doorgaat en zelf met je voet blijft tappen, dan klinkt het helemáál nergens meer naar. Maar als je de drummer dan laat gaan, is het zíjn feel. Soms moet je ook eerst even luisteren waar het naartoe gaat en kom je erachter dat hij iets heel te geks aan het doen is waar je zelf weer in kunt meegaan. Wordt het bijvoorbeeld heel laidback, zodat je zelf ook op een heel andere manier gaat spelen.’


Grote voorbeelden
In 2004 ontvangt Michel een Duiveltje voor Beste Bassist, een prijs van het Nederlands Pop Instituut. ‘Ja, het zijn je collega’s die je dat toekennen. Dat vond ik heel bijzonder, een groot compliment.’ Heeft iemand die de top heeft bereikt zelf nog grote voorbeelden? ‘Het wordt natuurlijk anders naarmate je ouder en ervarener wordt, maar er zijn zeker nog bassisten die ik te gek vind. Je hebt natuurlijk de virtuozen als Victor Wooten en Marcus Miller, omdat het heel knap is wat zij doen met hun instrument. Ik vind Marcus Miller als bassist trouwens nog het best als hij bij anderen speelt. Flea van de Chilli Peppers vind ik ook waanzinnig goed.’

‘Mijn eigen grote voorbeeld is toch wel Jaco Pastorius, een fenomenale bassist. Voor Pastorius was de bas een puur begeleidingsinstrument. Het is een jong instrument natuurlijk en voor die tijd werd er niet heel bijzonder op gespeeld. Hij heeft van de basgitaar het instrument gemaakt dat het nu is door heel andere dingen te gaan doen, door er solopartijen op te gaan spelen. Hij is de grondlegger van hoe wij nu spelen. Je kunt zeggen dat er tegenwoordig betere bassisten bestaan, maar hij heeft het allemaal bedacht. Vóór hem was er niets. Hij was ook een beetje gek, manisch-depressief. Dat is wel te horen aan zijn spel, het is “fearless”, gedurfd. Hij is niet bang om fouten te maken, hij doet gewoon. En dan ook meteen fretloos. Toen ik jong was en dat zag, wilde ik dat natuurlijk meteen óók. Helaas heb ik hem nooit live gezien, hij is jong gestorven.’


Keihard oefenen
Het gesprek loopt ten eind; Michel wordt namelijk verwacht op locatie Waterfront van het Rotterdams Conservatorium waar hij in 1982 zelf aangenomen werd als student en tegenwoordig werkzaam is als docent. Al oefende Michel keihard toen hij zelf nog een beginnend bassist was, een voorbeeldige leerling was hij niet bepaald. ‘Ik zat daar in het eerste jaar dat er een opleiding Lichte muziek van start was gegaan, dus het was nog heel experimenteel. Ik moest naast basgitaar ook contrabas leren spelen en daar hoorde ook het klassieke strijken bij. Nou ja, daar had ik helemaal geen zin in, dus na de allereerste les ben ik daar nooit meer naartoe gegaan. Jarenlang heeft niemand dat ooit maar gemerkt. We kregen les van ouderejaars studenten en hen kon het niet zoveel schelen wie er kwam opdagen. Maar na drie jaar ontdekten ze dat ik dat al die jaren niet gedaan had, en werd ik van het conservatorium getrapt. Ik vond het niet zo erg, want inmiddels kon ik overal wel spelen.’

‘Ik ben nu zo’n twee jaar docent hier in Rotterdam. Heel erg leuk. Ik dacht vroeger altijd van mezelf dat ik niet zo veel zou hebben met lesgeven, maar ik ben er heel erg enthousiast over. Er loopt veel jong talent rond: een paar hele goeie bassisten en drummers, waanzinnige gitaristen... Ik zie om me heen dat je er met talent alleen niet komt, je moet echt blijven oefenen, blijven studeren. Je moet je instrument voor 120 procent beheersen om continu voor 80 procent te kunnen presteren. Anders zou je altijd op de toppen van je kunnen moeten spelen en dat gaat eenvoudigweg niet.’


Babymuziekindustrie
Michel denkt dat er voor die jongere generatie heel wat gaat veranderen. ‘Ik denk dat muziek uiteindelijk gratis wordt. Dat albums in de toekomst de visitekaartjes worden van een artiest, om mensen naar je live-show te krijgen. En dat is ook wel goed. Als je ziet wat er nu bijvoorbeeld in Nederland aan talent rondloopt, en dat is heel wat hoor, is het toch idioot dat daar helemaal niemand van de grens over komt? De Nederlandse muziekindustrie is daar gewoon te knullig voor, ik noem het “babymuziekindustrie”. Dacht je dat het aan een platenmaatschappij te danken is dat Candy Dulfer zo succesvol is in het buitenland? Helemaal niet, dat komt puur door haar eigen inzet. Terwijl de maatschappijen in België en Duitsland hun beste acts wel direct exporteren. Maar het is niet meer aan ons denk ik, om daar wat aan te doen. Dat wordt de uitdaging voor de nieuwe generatie muzikanten. Ik had het er laatst nog over met Gino Vannelli, die wist het mooi te zeggen: “Als je jong bent, denk je nog dat je de beste muzikant van de wereld kunt worden. En dat moet ook, als je jong bent, moet je gewoon blind kunnen gáán. Later realiseer je je dat je niet de allerbeste kunt zijn, dat moet je accepteren en vervolgens moet je gewoon te gekke muziek gaan maken.”’

 


Michels gear
‘In de studio en live gebruik ik een Line 6 Bass POD, maar ik ben momenteel aan het experimenteren met de effecten- en versterkermodelingsoftware Guitar Rig van Native Instruments. Wat bassen betreft speel ik op Fender Jazz. Ik heb er drie, eentje uit 1965, een uit 1966 en een uit 1978. Verder heb ik nog twee Precisions, op de 1968’er zitten flatwounds en daarnaast gebruik ik een exemplaar uit 1971. Verder een Rickenbacker 4001 uit 1975, een Gibson EB2-D semi-akoestische shortscale uit 1968, een Epiphone Jack Casady-model met flatwounds, een Sadowsky-vijfsnaar en een Danelectro Longhorn uit ongeveer 1964. In 2007 heb ik zo’n nieuwe Fender Jaguar gekocht. Ook heb ik nog twee vijfsnarige Fender Jazz Basses uit ongeveer 2000, waarvan eentje fretloos. Per project vraag ik naar de stijl en dan maak ik een keuze welke bassen ik meeneem. Meestal zijn dat er een stuk of drie. Maar het meeste speel ik toch op de Jazz Bass uit 1966, de Sadowsky, de Epiphone en de Rickenbacker. Naast de POD en Guitar Rig gebruik ik nog wat losse effecten, de Woolly Mammoth en de Box of Rock van Z-Vex, een Bassdrive van Fulltone en een vaag synthpedaaltje van Akai.’

 



 

Reacties  

 
#1 Jeroen van Rooij 2012-02-11 11:19
Leuk artikel. Ik heb zo'n 30 jaar geleden met Michel gespeeld in de Rotterdams band Spot the Loony, waar hij ook producerswerk voor deed. De laatste tijd ben ik toevallig werk van hem tegengekomen, o.a. F.FWD, erg goede cd! Ik ben oogarts, maar maak zelf nog wekelijks muziek in een latin band.
 

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen