| Wanneer je in hardrockbands met de snelste gitaristen ter wereld speelt, is het als bassist natuurlijk je uitdaging om die rechts in te halen. Billy Sheehan flikt dat en werd daarom vijf keer door Guitar Player uitgeroepen tot beste rockbassist. Hij speelt bas met de snelheid van Steve Vai of Alex van Halen en had tijdens zijn optredens met David Lee Roth ook de klassieke pose van de hardrocker: lange wapperende blonde manen, strakke broek en één voet op de floormonitor. Zo extravert als hij destijds op het podium stond, zo bescheiden en ontdaan van alle pathos komt Billy tegenwoordig over. Hij speelt momenteel samen met Vigil Donati en Tony MacAlpine in Devil’s Slingshot, een powertrio waarin Billy alle ruimte krijgt om te vlammen.
Heeft Billy de bas gevonden, of is dat andersom gegaan? ‘Ik denk dat ik de bas heb gevonden. Ik kom uit een muzikaal gezin en had veel belangstelling voor muziek. Ik groeide op in de jaren ’60, de tijd van die enorme bandexplosie in de Verenigde Staten. In elke buurt waren er wel een paar die bij hun ouders thuis repeteerden in de kelder of op zolder. Bij mij om de hoek woonde Joe, de beste bassist van Buffalo en bovendien een hele coole gast. Als kleine jongen ging ik naar zijn repetities luisteren en was gefascineerd door zijn spullen: een “gitaar” met vier dikke lange snaren en een enorme custom made Fender Triple Showman met drie 15”-luidsprekers. Hij speelde op Gibson EB-3- en EB-0-bassen en had een groots geluid dat ik nog kon horen als ik ’s avonds in bed lag. Het geluid van een bas draagt nu eenmaal ver. Zo leerde ik de baspartij onderscheiden in de muziek en dat was een openbaring voor me. Tijdens Joe’s repetities met de drummer leerde ik hoe belangrijk het was dat drums en bas samenvallen, dus al voor ik zelf mijn eerste bas had, wist ik veel over de fundamentele principes van het basspel.’
Samenspel ‘Een goed team vormen met je drummer is 99 procent van het verhaal. Ik volg de drummer als een havik. Ik heb dat altijd gedaan. Ik herinner me de tijd bij Mr. Big waarin de drummer en ik altijd de hele set met zijn tweeën repeteerden, waardoor de bas en drumpartijen zo hecht correspondeerden dat er geen speld tussen te krijgen was. Dat zijn voor mij de belangrijke dingen die ik jonge bassisten nog steeds probeer te leren in clinics. Als je de timing van je baspartij met de basdrum kunt verbinden, ben je al halfweg. Zelfs al speel je de verkeerde noot. Soms vragen mensen me hoe ze een baspartij moeten maken. Ik zeg dan: “Luister naar het patroon van de basdrum, speel daar de grondtoon op en dat is het begin.” Later kun je daar dan een beetje omheen gaan spelen met de andere noten uit het akkoord en dat wordt dan uiteindelijk je baspartij.’
‘Devil’s Slingshot is echter een heel ander soort band met veel ruimte in de muziek. Vigil is een unieke drummer met een abstracte benadering in zijn spel. Vaak volg ik zijn basdrum niet, maar speel er omheen in patronen die ik herhaal om een bepaalde puls aan de lage frequenties te geven. Of ik nu repeteer of jam, in elke band waarin ik tot nu toe speelde, was ik altijd heel dicht bij de drummer. Hier is dat totaal anders en corresponderen onze partijen niet noodzakelijkerwijs.’
Ontwikkeling Die bijna mathematische ritmische benadering verdwijnt naar de achtergrond tijdens Sheehans solospel: ‘In een solo domineert voor mij de vrije vorm en de melodische benadering. Dan wordt het minder Bach en meer de vloeiende lijn van Debussy of Ravel. Ik vind het belangrijk dat je, wanneer je kiest voor een concept of een benadering, ook kennis hebt van het tegenovergestelde. Soms is het belangrijk om de timing vast te houden, soms moet je de melodie voorrang geven. Het is echter nooit een kwestie van alleen zwart of wit, maar meer van welke van de miljoenen grijstinten daartussenin je kiest. Mensen zijn geneigd om duidelijke en gepolariseerde standpunten in te nemen: ik speel deze stijl muziek en daarom de rest niet. Maar ik kan zo niet leven. Als ik lange tijd hetzelfde doe, word ik recalcitrant, neem afstand en ga bewust iets heel anders doen. Dat is voor mij belangrijk in mijn ontwikkeling als artiest. Wanneer artiesten zich vastbijten in een bepaalde stijl en zich alleen daarin verder ontwikkelen, zie je vaak dat hun concept alsmaar smaller wordt en de diepte in gaat. Het resultaat is dat hun muziek ontoegankelijker wordt en uiteindelijk onbegrijpelijk. Dan haken mensen af. Ik wil juist communiceren met mijn publiek en mensen met mijn muziek bereiken. Ik wil dat mijn muziek voor mensen hetzelfde betekent als wat muziek voor mij heeft betekent.’
‘Muziek is alles voor mij. Muziek heeft me inzicht gegeven in alle aspecten van het leven en muziek vertegenwoordigt voor mij alle denkbare emoties. Ik heb een collectie van meer dan 50.000 songs in mijn mp3-speler zitten met de meest uiteenlopende muziek. Die heb ik altijd bij me, dat is een deel van mijn identiteit geworden. Als je muziek vergelijkt met gastronomie, dan ben ik iemand die houdt van variatie. Soms Indiaas of Thais of Mexicaans afgewisseld met Franse cuisine en natuurlijk op zijn tijd een stevige stamppot met vlees en aardappelen, haha.’
Die afwisseling zien we ook in Sheehans spel. Hoewel hij af en toe flink kan uitpakken, blijft hij even makkelijk bij een basale en dienende baspartij. ‘Dat is erg belangrijk voor me. Soms zetten mensen een stukje van een van mijn instructievideo’s of een live-solo op YouTube en dan lijkt het net alsof ik alleen maar ellenlange solo’s speel. Maar waar zijn dan de video’s van mijn baspartijen in bijvoorbeeld To Be With You en Wild World met Mr. Big? Daar is niets spectaculairs aan, maar ik vind het heerlijke baspartijen om te spelen. Geweldige songs die bovendien enorme hits werden en mijn leven compleet veranderden. Ik ging opeens van Economy naar First Class met drie drankjes.’
Coverbands Zijn wortels en inspiratie vindt Sheehan vooral bij de pioniers van de pop- en rockmuziek uit het tijdperk waarin hij opgroeide en zich ontwikkelde als jong artiest: ‘Het eerste concert dat ik zag, was van Hendrix. Dat blies me van mijn sokken. Ik heb grote bewondering voor hem. Niet zozeer vanwege zijn gitaarspel, maar meer om de geestdrift waarmee hij muziek en het leven benaderde. Dat was van grote invloed op mij. Hij was onderdeel van een tijdperk met grote culturele veranderingen waarvan alle aspecten zoals kleding en levensstijl in hem sublimeerden. We wisten niet wat we zagen. Hij maakte ons duidelijk dat je als artiest de vrijheid had om muzikaal alles te doen wat je wilde. Maar daarvoor speelde ik altijd mee met de radio. En mijn eerste bands waren vooral coverbands. Dus ik leerde duizenden nummers van zeer verschillende artiesten te spelen. Dat heeft mijn basspel ook enorm beïnvloed. Niet zozeer individuele muzikanten of bassisten, maar gewoon het feit dat je met een band op pad bent en elke dag al die songs uitzoekt, kopieert en speelt voor een publiek. De basis van mijn basspel is altijd het live-optreden geweest. En als ik al een advies zou mogen geven aan jonge beginnende muzikanten, dan is het wel om precies dat te doen: ga in een coverband spelen en probeer zoveel mogelijk op te treden. Dat vormt je enorm en daar krijg je heel goede oren van. Ik krijg vaak brieven van mensen die me vragen om tabulatuur. Ik zeg dan altijd: gebruik je oren, want ik heb geen tabulatuur. Ik lees zelf ook geen tab of noten en ik heb geen enkele muziektheoretische achtergrond. Als ik gecompliceerde stukken moet instuderen van Devil’s Slingshot, Steve Vai of Niacin, doe ik het allemaal met mijn oren. En soms is dat heel bewerkelijk, dan moet ik alles noot voor noot uit elkaar halen. Voor mijn volgende soloalbum ga ik proberen een van de vioolsolo’s uit de Brandenburger concerten te spelen en dat is behoorlijk zwaar. Die zoek ik noot voor noot uit, waarbij ik de opname natuurlijk soms wel vertraag. Dus als je het hebt over inspiratie: die enorme live-ervaring is voor mij veel belangrijker geweest dan dat ik me identificeerde met bepaalde voorbeelden. Geloof me, al die kroegoptredens met vier sets per avond, zes avonden per week vind je nu misschien verschrikkelijk, maar over twintig jaar zal het wellicht het beste zijn wat je ooit is overkomen.’
Voorbeelden Natuurlijk heeft ook Sheehan zo wel zijn voorbeelden op de basgitaar gehad: ‘De reden dat ik muzikant wilde worden, was een optreden van The Beatles dat ik op televisie zag. Dus Paul McCartney is wel een inspiratiebron. Maar als we hem even buiten beschouwing laten, een van de eerste spelers die mijn aandacht trok, was Paul Samwell-Smith van The Yardbirds. Hoewel hij in die band altijd in de schaduw heeft gestaan van Clapton, Page en Beck, beschouw ik hem nog steeds als een de grootste vernieuwers van die tijd. Zijn basspel is geweldig. En na hem natuurlijk Tim Bogert. Tim is waarschijnlijk mijn grootste voorbeeld. Vanaf daar zo’n beetje alles en iedereen. Ik heb het allemaal opgezogen als een spons. Maar ik luisterde ook veel naar niet-bassisten: Sonny Rollins, Oscar Peterson, klassieke gitaristen zoals Julian Breem en ik ben ook een echte drumgroupie. Ik zag Billy Cobham al voordat hij bij Mahavishnu Orchestra speelde. Hij had van die grote glimmende bekkens en blies het dak eraf. Mensen wisten niet wat ze meemaakten. Geweldig! Meer recent ben ik erg onder de indruk van Dennis Chambers. Misschien vind ik hem wel de beste muzikant aller tijden. Zijn timing is fabuleus. Een soort niet-mechanische menselijke machine. Op zijn instrument wordt hij misschien geëvenaard door iemand als Paco de Lucia. Wanneer ik fingerstyle oefen, kijk ik altijd of ik iets van zijn techniek kan overnemen.’
Techniek Gevraagd naar zijn favoriete speelstijl antwoordt Billy: ‘Fingerstyle. Al is dat omdat ik die techniek nu eenmaal het beste beheers. Maar ik zou in het algemeen niet graag een keuze maken. Soms doen mensen een beetje snobistisch over spelen met de vingers, plectrum of duim. Maar dat is mijns inziens een grote fout. Ik denk niet dat er één techniek superieur is en ben blij dat er in ieder geval drie, zo niet vijftig manieren zijn om bassnaren aan te slaan. Er zijn in iedere stijl fantastische bassisten en eigenlijk moet je alles beheersen, wil je in verschillende muziekstijlen kunnen opereren. Ik heb zelf aanvankelijk nooit veel slapstyle gespeeld en ben het pas gaan leren toen die techniek over zijn eerste populariteit heen was. Ik haat het om met de massa mee te lopen. Op een gegeven moment was iedereen te pas en te onpas aan het slappen en poppen. Daar werd je gek van.’
‘Ik speel meestal met drie vingers, heel soms met vier en soms gebruik ik mijn duim. Dat hangt van de betreffende partij af. Maar ook dat is weer persoonlijk. Ik deed een tour met Jeff Berlin. Die speelt met twee vingers en kan alles spelen wat hij wil, dus het maakt niet uit. Doe wat bij je past of wat voor jou comfortabel is. Soms vragen mensen me bij hoeveel BPM ik nog zestienden kan spelen, of in welke positie mijn linkerhand staat, maar ik zou het niet weten. Met dat soort dingen houd ik me niet bezig. Ik speel gewoon en realiseer me dan later pas op welke manier ik speel. Die analyse vindt pas achteraf plaats wanneer ik bijvoorbeeld een clinic geef. Tegenwoordig zie je dat veel bassisten de omgekeerde weg bewandelen. Die bedenken eerst wat en hoe ze iets willen spelen en gaan daar dan op studeren. Dat is hetzelfde als een kind in de wieg een woordenboek of encyclopedie laten schrijven voordat hij kan praten. Terwijl ik denk dat het gewoon moet beginnen met “mamma” en “pappa” en vocabulaire opbouwen. Zo ontwikkel je een taal. En met muziek is dat in principe hetzelfde.’
Vier- of vijfsnaar Sheehan speelt al jaren op zijn Yamaha Attitude met Hipshot D-tuner. Waarom geen vijfsnaar? ‘Ik heb een foto van een Bassplayer Tribute voor Stanley Clarke in New York. Daar sta ik op met Stuart Hamm, Jeff Berlin, Stanley Clarke, Victor Wooten en Marcus Miller. Het bijzondere is dat al deze topbassisten op een viersnaar spelen. En niet te vergeten Jaco natuurlijk en oorspronkelijk Jack Bruce. Dus ik denk dat er geen beperkingen zijn op de viersnarige bas, althans niet voor mij. Natuurlijk, als je vijf- of zes- of vijftigsnarig wil spelen, fantastisch, God bless you, dan moet je dat vooral doen, maar ik zie geen voordelen. Aan de andere kant, kijk naar een pionier op de zessnarige bas, Anthony Jackson, die is briljant en ongeëvenaard. Maar ik denk dat hij het met me eens is. Mensen willen je vaak doen geloven dat er een controverse is, maar in mijn ogen is die er niet en zou er bij bassisten onder elkaar eigenlijk ook niet mogen zijn. Ik heb voldoende aan mijn D-tuner en ik kan de hals zover buigen tot ik een lage B heb. Ik ontdek elke dag nog nieuwe mogelijkheden op mijn viersnaar en ik weet zeker dat dat voor de rest van mijn leven zo zal blijven.’
Oefenen en spelen Moet een gearriveerde en doorgewinterde bassist die bovendien bijna doorlopend op tournee is eigenlijk nog veel oefenen? ‘Als ik niet op tour ben, probeer ik elke dag een uur pijn te lijden. En ik maak echt onderscheid tussen oefenen en spelen. Want creatief zijn in je oefeningen kan een wereld van verschil uitmaken wanneer je speelt. Je moet namelijk heel goed weten wat je oefent. Wat iemand anders oefent of vertelt dat je moet oefenen, hoeft in jouw geval helemaal niet te werken. Je moet bedenken welke oefeningen daadwerkelijk je manier van spelen veranderen en verbeteren.
Ik heb me jaren suf geoefend op dingen die mijn spel helemaal niet verbeterden. Op het laatst kon ik die oefeningen wel perfect uitvoeren, maar in mijn spel had ik daar niets aan. Dat klinkt logisch en simpel, maar zo eenvoudig is dat niet. Je moet door vallen en opstaan ontdekken wat in jouw geval nuttig is en werkt. Dat begint met een analyse van je speelstijl en techniek en de punten die je daarin zou willen verbeteren. Dat is niet alleen een kwestie van techniek, maar ook iets muzikaals: hoe kom jij van de ene noot naar de andere, wat is jouw pad door de toonladders en akkoorden. Dus als ik een uur oefen, dan is het pijn lijden, bloed, zweet en tranen. Na dat uur ga ik pas spelen.’
‘Ik hoor soms mensen zeggen dat ze acht uur per dag geoefend hebben. Maar waarschijnlijk hebben ze dan zeven uur en drie kwartier gespeeld en een kwartier geoefend. Het is heel belangrijk om dat onderscheid tussen oefenen en spelen te maken. Alleen dan kun je die mechanische oefening uit je spel halen en een echte speler worden. Ik zie helaas te vaak bassisten op het podium herhalen wat ze tijdens hun oefeningen doen. Dan zijn ze te veel met hun instrument bezig in plaats van met de muziek. Hun concentratie zit dan alleen in hun lichaam en het instrument, terwijl ze dat tijdens een optreden juist los moeten laten en moeten luisteren en kijken naar wat er om hun heen gebeurt.’
Timing Zoals Billy al aangaf is het spelen van een noot op het juiste moment van het grootste belang. Maar daarbij kun je die noot, behalve precies op de tel, ook nog eens voorin of achterin spelen. Oftewel: je kunt trekken of duwen. Dat kan een nummer maken of breken. Hoe kun je die kunst als bassist leren? ‘Ik zou de baspartij opnemen met een click of een drumloop en dan eens rustig terugluisteren, omdat je op het moment dat je speelt vaak moeilijk kunt bepalen waar je precies zit. Van daaruit kun je proberen je gevoel voor timing te veranderen als dat nodig is. Maar van nog groter belang is het zelfvertrouwen dat je hebt. In 99 procent van de gevallen komen problemen met de timing voort uit onzekerheid en dat gaat gepaard met haast. Een bassist die vol vertrouwen weet waar hij mee bezig is en waar hij naartoe gaat, speelt op tijd of laidback. Een onzekere bassist is geneigd naar voren te spelen, te jagen. Die springt zo snel mogelijk van de ene noot naar de volgende in de hoop dat hij de eindstreep ongeschonden haalt. Dat heeft te maken met opwinding en nervositeit. Die kun je overwinnen door veel te oefenen, alleen en met de band. Dat geeft je het zelfvertrouwen en de rust om de controle over je timing niet te verliezen. Dus ook hier geldt: veel oefenen beloont zichzelf.’
www.billysheehan.com |