| Gebrek aan zelfvertrouwen kan de heren niet verweten worden: de intro van Maestros De Las Frecuencias Bajas op hun cd Thunder heeft evenveel bombast en pathos als Also Sprach Zarathustra van Richard Strauss. Alsof drie onoverwinnelijke gladiatoren hun intocht doen. En zo was het natuurlijk ook. Stanley, Marcus en Victor deden Nederland aan voor drie concerten om hun album Thunder kracht bij te zetten. De meesters van de lage frequenties lieten een verpletterende indruk achter en De Bassist sprak met hen.
Wanneer je drie van de meest toonaangevende bassisten van drie opeenvolgende generaties bij elkaar aan tafel hebt, is dat een unieke gelegenheid om eens te onderzoeken hoe de mannen elkaar beïnvloed en geïnspireerd hebben. Victor: ‘Elke bassist is min of meer geïnspireerd door Stanley. Voor de generatie waar ik uit kom, is Stanley een groot voorbeeld. Ik ontmoette hem voor het eerst toen ik negen jaar was en daarna heb ik altijd naar zijn muziek geluisterd. (Stanley: ‘Was je pas 9?’ Marcus: ‘Toen was jij zeker al 50, haha!’) Niemand speelde in die tijd met zoveel energie, met zo’n snelle attack. Dat was helemaal in mijn straatje.’ Marcus: ‘Toen ik begon met R&B te spelen, luisterde ik heel veel naar de Motown-jongens zoals James Jamerson. Vervolgens hoorde ik Larry Graham en ging daar helemaal in op. En toen was daar opeens Stanley Clarke. Hij stopte als het ware dynamiet in Larry Grahams spel en maakte een enorme sprong voorwaarts. Voor ons jonge bassisten was dat enorm opwindend, dat geluid en die aanslag van Stanley. Hij haalde de bas uit de schaduw. En je dacht: oh, dat moet ik ook leren. En dan ging je met wat je geleerd had terug naar je R&B-bandje en dan werd je bijna ontslagen.’
Op zijn beurt werd ook baanbreker Stanley beïnvloed door datgene wat Marcus en Victor na hem deden Stanley: ‘Absoluut! Zonder dat ze het wisten, stal ik al hun licks, die speelde ik dan stiekem, haha! Maar zonder gekheid, toen ik begon met bas spelen werd die nog niet als een serieus instrument beschouwd. Ik kom oorspronkelijk uit de akoestische wereld en hoewel de contrabas natuurlijk geluid maakt en in principe een volwaardig instrument is, werd hij vaak niet gehoord. Dus de bas had toen als volwaardig instrument nog weinig geschiedenis. Maar als ik nu naar deze jongens luister, dan hoor ik wel geschiedenis in hun spel. De bas heeft in de afgelopen 50 jaar een ongelofelijke ontwikkeling doorgemaakt en dat klinkt door in hun manier van spelen en hun geluid. Bovendien hebben zij allebei zelf een heel belangrijke bijdrage geleverd aan de emancipatie van de bas. Zij hebben een unieke en uitgesproken stijl die elk op zijn beurt weer veel andere bassisten heeft geïnspireerd.
Hun stijl heeft volgens mij zelfs helemaal niets met mij te maken. [Er klinken protesten van Marcus en Victor - red.] Wat ik probeer te zeggen is subtiel, dus luister goed: je kunt altijd naar iemand luisteren en er iets van leren. Een gemiddelde speler zal een paar licks kopiëren en klinken als zijn voorbeeld. Maar dat is eigenlijk laf. Je hebt er moed voor nodig om los te komen van degene die je zo bewondert en zelf te gaan onderzoeken, iets eigens te doen of iets toe te voegen aan datgene wat je gehoord en geleerd hebt. Dat is het grote verschil tussen een getalenteerde muzikant en iemand zonder aanleg. Marcus en Victor hebben natuurlijk die geschiedenis in hun basis, maar zijn daar niet blijven steken. Ze zijn een stap verder gegaan en hebben op eigen kracht iets unieks en speciaals gecreëerd. Ik herken ze uit duizenden. Natuurlijk, als je opgroeit luister je naar je voorbeelden om van hen te leren. Mijn favoriete contrabasspeler was Ron Carter, maar ik denk niet dat ik nu als hem klink. En de man die mij het meest geïnspireerd heeft, is zonder twijfel Jimmy Garrison, die heeft mij echt het licht doen zien. Luister maar naar A Love Supreme van Coltrane. Daar zit het allemaal in. Garrison was een onconventionele bassist. En ik voelde me altijd aangetrokken tot die soort spelers.’
De samenwerking tussen Stanley Clarke, Marcus Miller en Victor Wooten stond al geruime tijd op het verlanglijstje van het drietal en vele fans. Toch nam ze pas definitieve vormen aan na een jam ter gelegenheid van de uitreiking van de Lifetime Achievement Award voor Clarke tijdens het Bass Player Live!-concert in oktober 2007. Met overvolle agenda’s en drukke tourschema’s moet het niet eenvoudig zijn geweest om de productie van Thunder rond te krijgen. Stanley: ‘We hebben de hele productie overgelaten aan Marcus, omdat hij daar veel ervaring mee heeft en het graag doet. En hij heeft het fantastisch gedaan.’ Marcus: ‘We hebben twee weken samen in de studio gezeten en daar gearrangeerd, gespeeld en opgenomen. Sommige stukken hebben daardoor een echte live-feel gekregen. Voor de rest hebben we gebruik gemaakt van moderne techniek om het album af te maken. We hebben gewoon alles gedaan wat nodig was om de klus te klaren.’ Victor: ‘Soms reisde Marcus naar Stanley, of kwam ik naar L.A. om dingen te doen. We moesten het in onze drukke schema’s passen.’
Een album opnemen is één ding. Live samenspelen is een ander ding. Drie bassisten op het podium, lopen die elkaar niet letterlijk en figuurlijk in de weg? Marcus: ‘Dat is precies waarom we het wilden doen. Iedere keer als we samen speelden, bleek dat we elkaar automatisch de ruimte gaven en waar nodig een stapje terug deden. Dat was een voorwaarde voor een geslaagde samenwerking.’ Victor: ‘Ik had wel verwacht dat het zou lukken, want ik weet wie deze mannen zijn, niet alleen als bassisten maar vooral als muzikanten. Bovendien als er twee pianisten of drie gitaristen of een paar blazers samen op het podium staan, zou de vraag of ze elkaar in de weg zitten niet eens bij je opkomen. Om de een of andere reden worden bassisten nog steeds niet gezien als volwaardige muzikanten. Wij zijn muzikanten die muziek spelen. Ons doel is muziek maken en niet alleen bas spelen.’ Stanley (lachend): ‘Dat je die vraag durft te stellen met drie bassisten voor je neus, dat is brutaal man! Dus breng dat thema de volgende keer maar niet meer ter sprake, haha! Dat is gekheid natuurlijk, maar Victor heeft wel gelijk. Wij kunnen met zijn vieren een gesprek voeren zonder moeilijk te doen over de klank van onze stem. Zolang we maar weten wanneer we moeten luisteren en wanneer we kunnen praten is het goed. Zo is het ook met muziek maken.’ Victor: ‘Je moet natuurlijk wel voldoende techniek en vocabulaire op je instrument hebben. Je moet je zowel in de hoge als lage registers comfortabel voelen, zodat je ook daadwerkelijk kunt spelen wat nodig is.’
Gevraagd naar de aspecten die zij in elkaars spel het meest waarderen, lopen de meningen niet ver uiteen Victor: ‘Bij Marcus zijn dat er voor mij twee: zijn toon en zijn groove. En bij Stanley zijn vernieuwingsdrang en het vuur in zijn spel, zijn attack, de bijna agressieve manier waarop hij zijn instrument benadert.’ Marcus: ‘Eén van de dingen die bij Vic het eerst opvallen, is zijn techniek. Het “hoe doet hij het”-effect. Dat, in combinatie met zijn muzikaliteit, maakt hem uniek. Want als je zoveel techniek gebruikt, wordt de muziek vaak ondergeschikt en dat is bij Vic niet het geval. Bij Stanley is, zoals Victor al zei, het vuur in zijn spel belangrijk. Wat mij ook opvalt, is dat door zijn achtergrond op de contrabas iedere basgitaar in zijn handen klinkt als stukje speelgoed waar hij alles mee kan doen wat hij wil. Ik vroeg ooit aan Stanley wat ik kon doen om meer definitie te krijgen en hij zei: “Ga maar akoestische bas spelen, want dat is heel goed voor je articulatie.” En hij verdient heel veel credits voor het feit dat hij altijd voor de troepen is uitgelopen en zo de grenzen van de bas heeft verlegd. Hij heeft het pad voor ons geëffend. Dat is zijn erfenis.’ Stanley: ‘Marcus en Victor hebben allebei een fenomenale techniek, maar tegenwoordig hebben veel bassisten dat. Wat ik in hen erg waardeer, is hun gevoel voor het lied. Of ze hun solo’s alleen spelen of in een band, je hoort altijd een begin, midden en eind. Zij spelen de goede noten. En hoewel ze soms ook introspectief zijn, hebben ze een natuurlijke neiging om hun muziek te delen en over te brengen op het publiek. Zij kunnen communiceren. Dat heeft niets te maken met techniek, maar alles met hun roots en het vermogen om een compleet verhaal in vier noten te vertellen.’
Er zijn mensen die Thunder de ultieme bluf slapbass-cd hebben genoemd. Wie hem aanschaft, heeft het genre definitief gecoverd en kan zijn geld voortaan in de zak houden. Wat vinden de heren van die opmerking? Marcus: ‘Wacht maar op het volgende album! Toen we Thunder opnamen, kenden we elkaar net en dan ben je toch een beetje voorzichtig en aan het aftasten. Nu zijn we zo lang onderweg en zo op elkaar ingespeeld dat het alleen maar beter kan worden. We zijn de schaamte voorbij. Nu zeggen we alleen nog maar tegen elkaar: “Hoe doe je dat? Speel het nog eens een keer, zodat ik het kan zien.” En omdat we alle drie echt een heel eigen stijl hebben, kan dat ook. We zullen nooit op elkaar gaan lijken.’ Stanley: ‘Ja, goed idee, laten we nóg een plaat maken, da’s lol!’ |