| Er zijn van die muzikanten die je niet eens hoeft te horen spelen om te weten dat het fantastische en inspirerende musici zijn. ‘Onder ons bassisten’ vind je er ook een paar. Hein van de Geyn bijvoorbeeld: praat vijf minuten met de man en je wil niets liever dan zo snel mogelijk zelf spelen! De muzikale veelvraat Reggie Washington kan er ook wat van: één vraag is al genoeg voor een schijnbaar oneindige maar boeiende spraakwaterval.
We zitten backstage in de Tilburgse Paradox, waar Washington dankzij de Vaderlandsche Fileproblematiek (waar is Rita als je haar nodig hebt…) zo’n anderhalf uur te laat is gearriveerd. De bassist tourt op dit moment door Nederland met het trio van drummer Jeroen Vrolijk, ter promotie van diens nieuwe New Morning Project-album (waarop de Washington overigens niet meespeelt). Met smaak vertelt de in 1962 geboren New Yorker over zijn vroegste muzikale ervaringen, te beginnen bij zijn jazzminnende ouders, een vioolspelende zus - volgens Reggie de beste musicus van de familie - en last but zeker niet least een drummende broer. Deze Kenny, naast drummer ook nog jazzhistoricus en radio-dj, introduceerde de kleine Reggie in de wereld van de jazz en liet zijn jongere broer af en toe wat meespelen op conga’s en bongo’s. Toch zijn Washingtons eerste echt serieuze stappen op het muziekpad in een heel andere richting en op een ander instrument, namelijk de cello. De jonge Washington vindt dit een fantastisch instrument en is dan ook vanaf het begin een fanatiek student. Hij speelt al vrij snel in diverse orkesten en ziet een toekomst als professioneel cellist wel voor zich, totdat hij door de dirigent van zijn highschool-orkest onder min of meer valse voorwendselen naar de contrabas wordt gelokt. De talentvolle Reggie zou slechts tijdelijk het tekort aan bassisten moeten opvangen, en daarna meteen weer mogen terugkeren naar zijn geliefde cello.
Muziekles Het loopt echter anders: dirigent Anthony Diaz herkent zijn mogelijkheden meteen en staat erop dat Washington blijft bassen. In eerste instantie heeft deze echter nog niks met de grote broer van de cello. Sterker nog: hij schaamt zich rot voor de belabberde bassectie waarin hij terecht is gekomen. En de nog immer fanatieke Reggie wil zich niet schamen, dus studeert hij ook op de bas als een bezetene. ’Het lot’ geeft dan uiteindelijk het laatste zetje. In diezelfde tijd leert broer Kenny namelijk een nog jonge, maar veelbelovende bassist kennen die regelmatig bij de Washingtons over de vloer komt om naar Kenny’s uitgebreide platenverzameling te luisteren. Deze nieuwe huisvriend is niemand minder dan Marcus Miller! Een feit overigens dat op dat moment weinig indruk maakt op de ongeveer twaalfjarige Reggie: ‘Marcus was just Marcus.’ Logisch voor iemand die niet anders gewend was het ouderlijk huis vol meer of minder bekende musici te zien.
Hoe dan ook, op aandringen van Kenny geeft Marcus de jonge Reggie een paar lessen. Mooi detail: als Reggie aangeeft bang te zijn deze lessen niet te kunnen betalen, zegt Miller met de reiskosten genoegen te nemen. De bus- en metrotickets vanuit Queens tot Staten Island kostten in die tijd bij elkaar iets meer dan een dollar, waardoor Reggie Washington waarschijnlijk de enige persoon ter wereld is die kan zeggen dat hij voor een kleine dollar per keer les heeft gehad van de grote Marcus Miller! Lang zal dit echter niet duren, aangezien Millers ster zo snel rijzende is dat hij al gauw een groot deel van zijn tijd ‘on the road’ doorbrengt (met onder meer David Sanborn en Lenny White). Maar in elk geval lang genoeg om Reggie voorgoed tot de contrabas en de basgitaar te bekeren.
Muzikale veelvraat De rest van zijn tienerjaren spendeert Reggie Washington aan het grondig studeren op beide instrumenten. Ook luistert hij naar zoveel mogelijk verschillende muzieksoorten: rock, soul, funk, jazz, fusion; het maakt allemaal niet uit, als het maar goed is. Vele bassisten zijn dan ook van invloed op zijn spel: van James Jamerson tot Dave Holland, van ‘Duck’ Dunn tot Jaco en alles daartussen. Washington zuigt zo veel mogelijk in zich op. Dat vertaalt zich later dan ook in de indrukwekkende en afwisselende lijst namen met wie Washington allemaal speelt of gespeeld heeft: Cassandra Wilson, Roy Hargrove, Steve Coleman, Branford Marsalis (Buckshot LeFonque), Kenny Garret, Chico Hamilton, Lenny White, Kenny Kirkland, Ute Lemper, D’Angelo, Will Smith en nog vele, vele anderen. Een staat van dienst om jaloers op te zijn dus, maar Washington blijft er uitermate bescheiden onder. Voor hem is alles gewoon gegaan zoals het is gegaan, en sterallures zijn de sympathieke Amerikaan volkomen vreemd.
Op zoek naar de perfecte sound Vanaf het begin van zijn carrière heeft Washington zich ook zeer intensief beziggehouden met de instrumenten en apparatuur waarmee hij werkt. Met bouwer Woody Phifer (op wiens bassen hij nog steeds speelt) ontwikkelt hij een instrument dat helemaal naar zijn wensen is gebouwd. Van studiotechnici leert hij veel over sound en opnemen. De ‘freaks’ in de Buckshot LeFonque-crew weten alles over een goed live-geluid. Over dit soort dingen wil Reggie alles weten, het liefst tot in de kleinste details. Voor de contrabas gelden uiteraard heel andere regels dan voor de basgitaar. Reggie is in het bezit van de onder contrabassisten welbekende Realist en een pick-up wordt alleen in uiterste noodgevallen gebruikt, want die verstoort al snel de verfijnde afstelling van de bas. Een goede microfoon is en blijft wat de contrabas betreft de beste oplossing, en dat is ook volgens Washington een kwestie van jarenlang experimenteren.
De basgitaar is een heel ander verhaal en ook op dat gebied is Reggie inmiddels een expert. Van hals tot brug, van plug tot fret, de man weet er alles van en is er op een uitermate gedetailleerde manier mee bezig. Versterkers en speakers hebben uiteraard eveneens zijn volle aandacht. Het is dan ook bij tijd en wijle een hel om tijdens lange tours afhankelijk te zijn van spullen die door concertorganisatoren op het podium gezet worden: in de jaren ’80 bijvoorbeeld is het met name het (te) cleane Trace Elliot wat de klok slaat, terwijl het door Washington veel meer gewaardeerde SWR (met name in Europa) bijna niet gebruikt wordt. Vandaar dat hij het liefst zijn eigen spullen meeneemt: zowel amp als speaker van het merk Epifani. Liever meer sjouwen dan niet het geluid dat je wilt hebben, wie kent het niet…
Overleven in België Inmiddels woont en werkt Reggie Washington al enige jaren in Europa, en dan met name in Brussel. Hij is niet alleen meer een veelgevraagde en zeer gewaardeerde sideman, maar daarnaast steeds vaker bandleider en componist. De overgang naar Europa ging relatief soepel, maar Washington zit - zoals hij zelf zegt - nog steeds in de fase van overleven.’In het begin ben je natuurlijk “the flavour of the week”. Iedereen heeft je achtergrond gecheckt, vindt het helemaal te gek dat je in de buurt bent, en wil uiteraard ook met je spelen. Geld is dan geen enkel probleem, want niemand wil zo’n kans laten lopen. Na een tijd komt men erachter dat je niet meer weggaat, waardoor alles ineens weer verandert. Zeker, je wordt nog steeds gevraagd, maar nu voor “local money”. Op advies van oudere landgenoten die mij voorgegaan zijn, probeer ik daar nu niet op in te gaan. Dat kan soms lastig zijn, want je wilt en moet natuurlijk wel gewoon werken. Maar je weet ook wat je waard bent, dus je moet niet ineens voor een schijntje overal komen opdraven. Gelukkig ken ik inmiddels vooral in België en Nederland genoeg goede - en niet te vergeten aardige - musici, dus dat komt wel goed.’
Er zijn inderdaad ergere dingen. Zoals de val van een trap waarbij Washington in 2006 zijn hand breekt. Hoewel Reggie inmiddels weer volop bezig is, heeft dat ongeluk zowel fysiek als psychisch toch de nodige impact gehad. ‘In het begin ben je uiteraard vooral bang dat je nooit meer zo kunt spelen als voorheen. In eerste instantie weigerde ik ook de operatie die volgens mijn arts nodig was; ik wilde niet in me laten snijden! De dokter in kwestie maakte me echter duidelijk dat het zonder ingreep wel eens slecht kon aflopen en ik het bassen voor de rest van mijn leven op mijn buik kon schrijven. Toen was de keuze natuurlijk snel gemaakt. Wel zit er nog een halve ijzerwinkel in mijn hand, dat hoefde er niet noodzakelijkerwijs weer uit. Het levert op vliegvelden wel eens de nodige toestanden op, met al die beveiligingen en scans van de laatste jaren. Het gaat op zich prima nu, alhoewel ik de gevolgen nog steeds wel merk. Mijn hand is stijver, ik moet dus zeker een goede warming-up doen voor ik het podium op ga. Vooral op de contrabas was het de eerste tijd na het ongeval enorm afzien: de eerste akoestische job deed vreselijk pijn! Dan word je weer opnieuw bang dat het niet meer goed komt, maar beetje bij beetje komt de kracht in je hand toch weer terug.’
All you need is love Voor de nabije toekomst heeft Reggie Washington nog volop plannen. ‘Ik zal altijd met en in dienst van anderen blijven spelen. Dat is te gek, afwisselend, en je leert er enorm veel van. Door alle ervaring die ik door de jaren heen heb opgedaan, is mijn reputatie natuurlijk steeds beter geworden. En dus wordt je eigen inbreng bij andermans projecten steeds groter. Maar ik wil toch ook meer tijd besteden aan mijn eigen projecten. Zo speel ik erg graag in triovorm, zoals met Ravi Coltrane (tenorsax) en drummer Gene Lake, of de Belgische variant met tenorist Erwin Vann en drummer Stephane Galland [zie recensie-rubriek - JD]. Daarnaast werk ik nu ook vaker met mijn vrouw, Stefanie Calembert, die als TIBOO! haar “spoken word” combineert met muziek van mij en gitarist Jeff Lee Johnson. Dan is er nog mijn “powertrio” TRio TRee met Jozef Dumoulin op Fender Rhodes en Skoota Warner op drums.’
Een ander, zeker voor bassisten, interessant Washington-project is ReubenS BasS ChoiR waarin diverse baspartijen over elkaar heen buitelen. Wat dat laatste betreft baalt Washington van het Clarke/Wooten/Miller-project. Het idee voor een bass-choir zit namelijk al vanaf 1985 - toen hij met collega-bassist Melvin Gibbs samen in Ronald Shannon Jackson’s Decoding Society speelde - in zijn hoofd, en voor dat idee had hij graag samengewerkt met de door hem gerespecteerde Miller. Deze had al toegezegd mee te werken, maar hield Washington lange tijd aan het lijntje. ’Toen het album met Stanley en Victor uitkwam, begreep ik ook waarom. Het is een prima plaat en ik heb veel respect voor deze drie grootheden. Maar het voelt toch een beetje alsof het gras voor mijn voeten is weggemaaid, en dat is jammer. Mijn ideeën over een basgroep zijn wel anders. Wat mij betreft mag het allemaal wat minder macho. Maar Marcus en ik zijn nog steeds vrienden, dus wie weet komt het er ooit nog van. Ik ga in elk geval door met mijn eigen Choir!’
Tot slot heeft Reggie nog een welgemeende boodschap voor onze lezers. ‘Muziek is erg belangrijk, evenals goed studeren en goede instrumenten. Maar liefde is het allerbelangrijkste, vergeet dat nooit! Dankzij mijn grote liefde Stefanie ben ik gestopt met roken, drinken en drugs en voel ik me beter dan ooit. Zonder liefde had ik hier niet gestaan.’ We zullen het niet vergeten, Reggie.
www.myspace.com/reggiewashington
Gear Reggie Washington speelt op een handgebouwde bas van Woody Phifer, de Phifer Designs Woody Signature 4-string. De oorspronkelijke hals (de ‘Queen-neck’) is na een breuk vervangen door de ‘Fanny-neck’ (vernoemd naar Reggie’s huidige echtgenote). De versterker is van Epifani, evenals de speakers (de UL-502 en de UL-310). Effectpedalen gebruikt Washington live bijna nooit, en in de studio alleen voor zijn bass-choir (een envelope-filter van Mutronics, een Big Muff en Q-Tron van Electro-Harmonics, en chorus en flanger van T.C. Electronic). Zijn contrabas is een ‘flat back’ uit Tirol en stamt uit circa 1850. |