| In de jaren ’80 maakte Mark King met Level 42 furore. Hij schaarde zich door zijn opvallende stijl meteen in de categorie legendarische bassisten. Door de vele hits die de groep scoorde, zijn er weinig virtuoze bassisten zo bekend bij het grote publiek als Mr. King. Mark sprak met De Bassist honderduit over het geheim van zijn succes en speelstijl.
Kun je wat vertellen over de beginperiode van Level 42? ‘Toen ik met Level 42 begon, was ik 21 jaar. Ik ben mijn muzikale carrière begonnen als drummer en ging naar Londen om daar aan de bak te komen. Ik werkte ongeveer een jaar in een muziekzaak waar ze echter geen drumstellen verkochten, waardoor ik een beetje op de bassen in de winkel begon te spelen. In deze periode [1979 - BT] ontmoette ik Mike Lindup en Phil Gould en we begonnen een beetje samen te spelen. Toen was het nog met Dominic Miller op gitaar, die nu bij Sting speelt. In het begin waren we vooral beïnvloed door de vroege jaren ’70 fusiongroepen uit de Verenigde Staten. Mensen als Miles Davis, Herbie Hancock en de bands Weather Report, Mahavishnu Orchestra en Return To Forever. Ik vond Stanley Clarke en Lenny White, beide van RTF, een te gekke ritmesectie. Destijds waren dat voor serieuze muzikanten zoals wij de interessantste dingen. Vooral op ons eerste album kun je deze invloeden goed terug horen. Het was een weerspiegeling van de dingen die we toen mooi vonden. We waren toen nog niet zo songgericht bezig. ‘
Was de weg van deze meer fusiongerichte muziek uit de beginperiode van Level 42 naar de compactere popsongs een natuurlijke weg of een bewuste commerciële keuze? ‘Als muzikant wil je jezelf blijven ontwikkelen, waarom zou je steeds hetzelfde wilde spelen? Zo werkt het niet in de muziek. We begonnen het proces van nummers schrijven gaandeweg ook leuker te vinden. We realiseerden ons ook dat als we een breder publiek wilden bereiken we toch meer songgericht moesten gaan schrijven. Ik kan ook geen beroemde instrumentalist bedenken die evenveel publiek bereikt als iemand die echte songs maakt. Het is hard werken als band en we probeerden van alles uit. Sommige dingen pakten goed uit, andere niet, en daar leer je dan weer van. In 1985 liep ons eerste contract met Polydor af en we hadden geen garantie dat het contract verlengd zou worden. We moesten nog één album maken en dat moest daarom een album zijn dat goed zou verkopen. We schreven toen Leaving Me Now en Something About You, en deze laatste werd een top 10-hit. Hierdoor werd ons contract weer met vijf jaar verlengd.’
Hoe kwam je tot jouw unieke speelstijl? ‘Mijn hele benadering van de bas is eigenlijk gewoon drummen op de bas. Net zoals iemand met twee handen op een conga speelt. De patronen die je speelt, hebben veel te maken met de ghostnoten en de noten op een percussie-instrument die je niet speelt, die demp ik dan met de linkerhand. Slappen bestaat natuurlijk al heel lang, maar toch klinkt het bij mij anders dan bij bijvoorbeeld Marcus Miller of Larry Graham. Mijn benadering is veel meer lineair. Dat heeft zeker te maken met het feit dat ik eigenlijk drummer was, maar ook omdat ik erbij moest zingen. Als je jezelf begeleid op bas, vul je automatisch de gaten op. Je hebt zo als het ware een hele ritmesectie in één baspartij die je zanglijnen aanvult. Veel funk is gebaseerd op zestiende noten, mijn rollende slapstijl is dat ook. Net zoals Rocco Prestia dat met zijn vingers doet.'
Oefende je veel in het begin of kwam het vanzelf aanwaaien? ‘Het was niet zo dat ik veel op mijn slaapkamertje aan het oefenen was. Eigenlijk oefende ik helemaal niet veel, en nog steeds niet. Ik heb veel respect voor mensen die wel die discipline hebben, maar voor mij is het niet weggelegd. Ik speelde eigenlijk meteen vanaf het allereerste moment in een bandsituatie en oefende dus in de band. We traden in die tijd zo’n vijf keer per week op in allerlei cafés. Voor mij was dat de beste leerschool, omdat ik meteen moest reageren op wat de andere muzikanten deden. Ik heb ook nooit les gehad. Het was eigenlijk een natuurlijk proces. Als je iets in je hoofd kan bedenken, kan je het ook spelen. Ik zocht ook niets van platen uit, want dat had toch geen zin omdat we alleen eigen werk speelden. Zodoende moest ik meteen mijn eigen stijl zien te vinden. Ik luisterde natuurlijk wel naar Stanley Clarke en hij heeft me zeker beïnvloed, maar ik ben net zoveel beïnvloed door het drumwerk van bijvoorbeeld Lenny White, de drummer van Return To Forever.’
Speel je nu nog veel? ‘Onze laatste optredens waren in oktober 2008 en daarna zijn mijn bassen ergens gestald... Toen we begonnen aan deze tour, hebben we twee dagen gerepeteerd en mijn handen waren er slecht aan toe, ze voelen nu aan als chipolatapudding, haha. Mijn vingers doen nu erg zeer. Ik doe eigenlijk nooit een warming-up voor een optreden; we spelen tijdens de soundcheck en dat is voor mij genoeg. Tijdens een optreden kan er daardoor van alles gebeuren, soms ben je geïnspireerd en soms niet. Als je de hele dag zit te spelen, is het moeilijk om tijdens een optreden nog met frisse ideeën te komen.'
Krijg je dan nooit kramp tijdens het spelen? ‘Nee, eigenlijk niet, alhoewel ik wel vrij hard speel. Ik heb zelfs snaarafdrukken in mijn elementen staan, probeer dat maar eens voor elkaar te krijgen! Een nummer als Lessons In Love lijkt heel eenvoudig, maar de baslijn ervan is erg moeilijk om te spelen. Dit nummer vereist veel uithoudingsvermogen, en ik moet toegeven dat ik er wel eens kramp bij krijg.’
Waarom gebruik je altijd tape om je duim? ‘Ik gebruik tape al sinds 1981. Tijdens een optreden hier in Nederland sloeg ik toen zo hard op mijn bas dat mijn duim helemaal open sprong. Er lag overal bloed en het was erg pijnlijk. De volgende avond hadden we weer een optreden en toen moest ik mijn duim verbinden met tape om te kunnen spelen. Sinds die avond gebruik ik altijd tape, het voelt nu zelfs heel raar als ik het niet om heb. Ik gebruik het dus alleen voor bescherming, net zoals sommige percussionisten dat doen.’
De bassen Tijdens het interview was Mark zeer relaxed. Toen ik naar zijn bassen vroeg, nam hij me mee naar het podium waar hij al zijn spullen had opgesteld. Hij vertelde vol enthousiasme over zijn spullen en demonstreerde al zijn bassen en effecten.
‘Ik speel nu al een hele tijd op Status-bassen. De bouwer, Rob Green, ken ik al sinds 1983, toen hij pas met Status begon. In het begin wou hij zijn bassen Stratus noemen, maar Fender had daar problemen mee. Het zou te veel lijken op Stratocaster, wat natuurlijk nergens op slaat. Er zijn natuurlijk veel goede gitaarbouwers, maar Rob staat heel erg open voor mijn inbreng.’
Mark gebruikt nu voor optredens twee Status Mark King 2-modellen. Dit zijn bassen met een kop. In zijn baslijnen duwt hij vaak de snaren hoog op, zoals een gitarist. Dat opduwen doet hij ook vaak achter de kam, vlak bij de stemknoppen. Deze techniek paste Stanley Clarke voor het eerst toe. Om dit wat makkelijker te maken, zijn de MK-modellen voorzien van een ‘bend-well’, dit is een uitholling bij de kop. Hierdoor kunnen de snaren heel ver omhoog geduwd worden. Mark liet me naast de twee MK2-modellen ook nog een headless bas zien. Deze bas heeft geen bend-well, maar een verlengde nek achter de kam; hier lopen de snaren nog ongeveer 7 cm door. Een soort overdreven 0-fret dus. Vaak duwt Mark noten wel een hele toon of meer op en dat valt niet mee op een basgitaar. Om deze grote bendings toch voor elkaar te krijgen, speelt hij op erg dunne snaren. Dit zijn Status Hotwires met een dikte van 30-50-70-90. Ter vergelijking: de G-snaar is dus dunner dan de gemiddelde C-snaar!
‘Ten opzichte van de MK1 bassen zijn er een aantal dingen veranderd bij de MK2. Ze hebben dezelfde vorm maar de MK2's zijn een stuk dunner. Ook zijn de elementen veranderd van humbuckers naar een jazzbas-achtige configuratie. Tussen deze twee elementen zit in de body een holle ruimte waar een humbucker-element in zit. Mijn oude bassen, zoals de Jaydee en de Alembic, heb ik nog wel maar ik speel er bijna niet meer op. Dat is nu niet meer nodig, omdat de Status-bassen me zo goed bevallen.’
Versterking en effecten Qua versterking gebruikt Mark King zijn eigen signature-top: de Ashdown MK500. ‘Ik heb er twee op het podium staan, maar eentje dient puur als back-up. In 1981 speelde ik op de Trace Elliot GP11. Deze had een elfbands equalizer, die ik zeer bruikbaar vond. Andere basversterkers hadden dat toentertijd niet. Een jaar of zes geleden sprak ik met Mark Gooday, die bij Trace Elliot had gewerkt. Hij had toen net Ashdown opgericht. Ik vroeg hem toen om zo´n zelfde soort versterker te maken als mijn oude Trace Elliot. Van Ashdown gebruik ik ook twee 4x10”-speakerkabinetten. Ik speel hier al op sinds de tour van 2006. Het liefst speel ik op 4x10”-speakers. In het begin van de jaren ´80 waren de 12”-speakers niet snel genoeg, maar eerlijk gezegd mis ik niets aan laag bij 4x10”.
Op mijn versterking houd ik in principe dezelfde eq-stand aan. Ik pas ‘m wel ieder optreden aan op de akoestiek van de zaal. Op mijn bassen heb ik heel veel mogelijkheden qua toonregeling, dus ik regel de verschillende sounds het liefst vanaf mijn bas. Het is altijd moeilijk om een goed geluid te krijgen in grotere zalen. Voor orkesten klinken dit soort zalen heel goed, maar zodra je met bas en drum begint te spelen wordt het een probleem. Dat heeft vooral te maken met het hoge volume wat je hebt op het podium. Tegenwoordig spelen we daarom met in-earsystemen. Vroeger was ik daar nooit zo’n voorstander van en ik kon geen goed in-earsysteem vinden dat ook het laag goed weergeeft. De Shure E5 doet dit wel, op deze manier kunnen we het volume op het podium beperken.’
De effectpedalen die Mark King tegenwoordig gebruikt, zijn een Boss DD-3 delay, een Boss CH-1 chorus en een Akai Headrush looper. Tijdens zijn solospot bij het optreden die avond had Mark meerdere malen grote moeite om de loops aan de gang te krijgen. De opluchting was zichtbaar toen de loop uiteindelijk lukte. Zo laat bij iedereen de techniek het wel eens afweten. |