Tony Levin

Geschreven door Barend Tromp

Levin_Bert_Treep_internetTony Levin is bij het grote publiek vooral bekend als die kale bassist met snor bij Peter Gabriel, maar de lijst met namen waarvoor hij heeft gediend - onder wie John Lennon, Paul Simon en King Crimson - is uitermate indrukwekkend. Hiernaast brengt hij ook regelmatig soloalbums uit en speelt hij in veel verschillende zijprojecten. Een extreem bezig baasje dus. Hoog tijd voor een gesprek.

Hij speelt op ongeveer twintig albums per jaar en is daarnaast ook nog eens bijna constant op tour. Naast elektrische bas speelt hij de befaamde Chapman Stick, elektrische contrabas en cello. Ook schreef hij het uiterst vermakelijke boek Beyond The Bass Clef, met allerlei leuke anekdotes over het muzikantenbestaan, een echte aanrader voor bassisten. Momenteel tourt hij met zijn band Stick Men, waarin hij alleen Stick speelt, hierbij bijgestaan door zijn King Crimson-maatje Pat Mastelotto op drums en mede-Stick-speler Michael Bernier. De optredens hebben een hoog King Crimson-gehalte, wat met deze bezetting natuurlijk niet verwonderlijk is. Geen hitparademuziek of vrolijke meezingers, maar lekker tegendraadse en experimentele muziek.


Kan je iets vertellen over het begin van je bascarrière?
‘Ik ben heel vroeg begonnen. Toen ik ongeveer tien jaar was, begon ik met contrabas. De eerste jaren was dat puur klassiek, maar later ontdekte ik ook jazz en rock. In die laatste stijl en met name de progressieve rock voel ik me het beste thuis. De contrabas heb ik niet meer, ik luister nog wel naar klassiek, maar ik speel het niet meer. Toen ik ongeveer twintig was, hoorde ik iemand elektrische bas spelen en het leek me dat je jezelf zo beter kon horen. Ik speelde toen jazz op de contrabas en had vaak moeite om mezelf te horen.’


Hoe kwam je in aanraking met de Chapman Stick?
‘Toen de Chapman Stick uitkwam in de jaren ’70 speelde ik al met hammer-on- en tappingtechnieken op de bas. Veel mensen met wie ik toen werkte, zeiden me dat ik dat nieuwe instrument eens moest proberen; ik kende de Stick toen nog niet. Omdat ik die technieken al op de bas toepaste, kon ik vrij snel mijn weg vinden op de Chapman.’


Jouw aanpak van Stick-spelen verschilt nogal van andere Stick-spelers die het instrument vaak bespelen als een piano met onafhankelijke melodieën en baslijnen.
‘Vaak speel ik alleen de baspartij op de Stick, het componeren doe ik wel vaak op het hoge gedeelte. Bij Stick Men speel ik wel veel op beide gedeeltes van het instrument. Deze band is interessant omdat er twee Stick-spelers zijn. Michael Bernier gebruikt technieken op de Stick die nog nooit iemand heeft toegepast. Van hem heb ik ook veel nieuwe dingen geleerd. Zo gebruikt hij bij sommige stukken een strijkstok.’


Hoe ben je op het idee gekomen van de Funk Fingers?
‘Op het nummer Big Time van Peter Gabriel speelde onze drummer Jerry Marotta met zijn drumstokken op mijn bassnaren, terwijl ik de tonen induwde met mijn linkerhand. Toen we een jaar later aan het toeren waren, probeerde ik die baslijn tijdens een soundcheck te spelen met een drumstok in mijn rechterhand. Toen ik dat aan het proberen was, zei Peter Gabriel: ‘Waarom probeer je niet drumstokken aan je vingers vast te maken?’ Het was dus eigenlijk zijn idee. Het was nog even experimenteren maar uiteindelijk had ik iets gevonden dat werkte. In het begin van de jaren ’90, toen ik ze pas had, oefende ik er veel mee. Ik gebruik het nog steeds als het goed bij een bepaald nummer past.’


Als je zoveel verschillende instrumenten bespeelt, hoe bepaal je dan welk instrument je bij een nummer gaat gebruiken?
‘Dat is soms inderdaad een probleem. Als ik zelf thuis een album opneem, kan ik natuurlijk kiezen wat ik wil. Maar als ik de studio in duik, moet ik van tevoren bepalen wat ik ga meenemen, ik kan niet iedere keer alles meeslepen. Peter Gabriel vindt al mijn instrumenten leuk, dus dat is altijd een flinke vracht. Hij heeft een voorkeur voor de NS elektrische contrabas, dus die neem ik dan sowieso altijd mee. En meestal ook mijn Music Man-bassen. Eigenlijk bepaalt de muziek welke bas of welk instrument ik ga bespelen, meestal vraagt een nummer om een bepaald basgeluid. Ik speel ook op een NS elektrische cello, zoals op mijn soloplaat Waters of Eden. Maar ook bij Peter Gabriel speel ik soms cello. Bij Stick Men speel ik uiteraard alleen maar op de Stick. Bij het oefenen is het ook vaak een probleem. Meestal richt ik me op één project en dan oefen ik het meeste op de instrumenten die ik daarvoor gebruik.’


Je werkt veel als sessiebassist. Hoeveel vrijheid krijg je in de studio om je eigen baslijnen in te vullen?
‘Dat verschilt heel erg. Soms kan ik het volledig zelf bepalen en een andere keer heb ik totaal geen inbreng. In een perfecte situatie heeft de componist een goed idee over de baslijn en ikzelf ook. We halen dan het beste uit elkaar. Soms heeft de componist een idee over de baslijn waar ik het niet mee eens ben, een andere keer heb ik zelf ideeën die anders zijn dan wat de componist in gedachten had. En daar komt ook nog eens de producer bij met zijn eigen visie op de baspartij. Dat wordt dus onderhandelen. Het hoeft ook niet per se mijn idee te zijn, soms is de baslijn op de demo al zo goed dat ik er niet zo nodig iets aan hoef te veranderen. Omdat componisten vaak geen bassisten zijn, hebben ze soms goede ideeën voor de bas waar ikzelf nooit op zou zijn gekomen. Een goed voorbeeld hiervan is Paul Simon. Hij zat tijdens een sessie voor me met zijn akoestische gitaar en zong baslijnen voor me die heel erg melodieus en anders waren dan ikzelf in gedachten had. Zoiets inspireert mij echt.’


Bepalen ze in de studio ook voor jou welk instrument je moet gebruiken of kies je dat zelf?
‘Soms vragen ze me bijvoorbeeld om Stick te spelen, maar vaak weten ze niet eens hoe een Stick precies klinkt. Ik kies het liefst zelf welk instrument ik gebruik, maar soms dringen ze wel aan en dan is de klant uiteraard koning.’


Zijn er nog muzikanten met wie je nog niet hebt gespeeld die nog op je lijstje staan?
‘Ja, Jimi Hendrix, maar dat wordt ’m niet meer, haha! Ik heb geen lijstje, maar als ik een echt goede band op de radio of in een club hoor, wil ik dat ik met hen kan spelen. Ik prijs mezelf echt gelukkig dat ik al met zoveel geweldige muzikanten heb mogen werken.’


Wat zijn je muzikale plannen voor de toekomst?
‘We zijn met deze Stick Men-tour bezig tot en met mei. In juni gaan we met de band naar de Verenigde Staten. In juli en augustus zijn er nog tours met andere projecten die nog niet helemaal bevestigd zijn. In september ga ik naar Japan en misschien de Verenigde Staten met de band L’Image, een interessante jazzband waar ik in 1967 ook al mee speelde. Dit zijn oude vrienden van me, met onder anderen Steve Gadd op drums en Mike Mainieri op vibrafoon. We zijn nu na al die jaren weer bij elkaar en hebben ook een album gemaakt. In oktober en november is er ook weer een optie voor een tour met een andere band. Daarna probeer ik nog wat Stick Men-optredens te boeken. In januari speel ik met Terry Bozio, Allan Holdsworth en Pat Mastelotto. Dit is compleet geïmproviseerde muziek. Daarna weet ik het nog niet. Of we gaan spelen met King Crimson hangt af van Robert Fripp. Ook wacht ik nog op wat Peter Gabriel gaat doen.’

 

Ik leg Tony een aantal van mijn favoriete Levin-baslijnen voor met de vraag of hij wat kan vertellen over de aanpak van de baslijn of de sound van de bas op dat nummer. Bij veel titels keek hij me aan alsof hij het hoorde donderen in Keulen. Eigenlijk wel logisch als je weet op hoeveel albums hij heeft gespeeld. ‘Ik denk niet zoveel na over wat ik allemaal gedaan heb. Ik denk meer na over wat ik nu doe en nog zal gaan doen. Ik luister ook nooit naar wat ik vroeger deed. De meeste albums heb ik zelfs niet eens.’


The Family And The Fishing Net (van het Peter Gabriel-album Plays Live, 1983):
‘Pff… daar vraag je me wat. Ik kan het me eerlijk gezegd niet herinneren.’ Als ik opper dat het wel erg klinkt als een synthbas begint er bij Tony iets te dagen: ‘Bij Peter Gabriel heb ik een synthesizer op het podium staan, eentje met alleen maar basgeluiden. Ik speel bijna nooit het hele nummer op synth of basgitaar, maar wissel tussentijds af. Soms speel ik ook met mijn linkerhand hammer-ons op de basgitaar en met mijn rechterhand dubbel ik die lijn met de synth. Ik weet niet zeker of dat bij dat nummer ook zo was.’


Elephant Talk (van het King Crimson-album Discipline, 1981):
‘Dit nummer is natuurlijk gespeeld op de Stick. Dit is het eerste nummer waarop mijn Stick-spel echt goed naar voren komt. Het nummer begint met de Stick alleen. Iedereen die Stick speelt, weet dat het een vrij gemakkelijke partij is. Ik heb bij dit nummer de hoge snaar van het basgedeelte een halve toon lager gestemd, zodat ik de overmatige kwarten makkelijk met één vinger kon spelen. Ik ben een beetje lui aangelegd, haha! In die tijd gebruikte ik bijna altijd een phaser en een compressor op de Stick. De compressor gebruik ik nog steeds, maar de phaser niet meer.’


Cerulean Sea (van het Bruford Levin-album Upper Extremities, 1998):
‘Dit nummer speelde ik met de Funk Fingers. Hier speel ik een simpele doorlopende lijn met tweeklanken. Bill Bruford is een ontzettend creatieve drummer. Hierdoor kreeg ik het idee om deze repetitieve baslijn te spelen en juist Bill te laten variëren. En dat is precies wat hij deed, hij deed dingen die niemand anders ooit zou hebben verzonnen. Luister even naar het nummer voor een lesje polyritmiek en metrische modulatie!’


 

Tony’s spullen
‘Ik gebruik nog steeds de Music Man-bassen. Ik heb een oude Stingray en een nieuwere vijfsnarige en fretloze bassen. De nieuwe Music Man 25th Anniversary-bassen vind ik ook erg goed. Ik speel ook veel op de Music Man Bongo. Ik ben een gelukkig man met zoveel bassen, ik weet niet eens hoeveel ik er heb. Thuis heb ik ze allemaal staan en kan ik lekker kiezen welke bas ik voor welk nummer ga gebruiken. Ik heb ook een driesnarige bas die ik te gek vind, maar ik gebruik hem helaas te weinig. Het idee was om een zo beperkt mogelijke bas te maken met zo weinig mogelijk opties: geen toonknop, geen volumeknop, alleen maar drie snaren en verder niets. Hij is vooral handig als je met de Funk Fingers speelt, vanwege de grotere snaarafstanden. Voor de Stick gebruik ik twee versterkers. Voor het basgedeelte gebruik ik meestal Ampeg SVT-versterking. Vaak weet ik niet eens welk model het precies is en het maakt me ook niet zoveel uit, ze klinken allemaal goed en ik haal er altijd uit wat ik wil. Voor het hoge gedeelte van de Stick gebruik ik verschillende gitaarversterkers. In de studio heb ik bijna nooit de luxe om al mijn versterkers mee te nemen. Dus meestal gebruik ik de versterker die ik thuis heb opgesteld of neem ik een kleine versterker mee naar de studio. Op tour huren we ook vaak basversterkers. Ik wissel ook vaak van effecten en ben altijd zoek naar iets beters, zoals betere overdrive- en fuzzpedalen. Ik speelde jaren op een Big Muff, nu heb ik een nieuwe custom fuzz die goed op bas werkt. Ik split altijd het signaal, zodat ik een direct signaal en een effectsignaal heb, en geen “punch” verlies. Ik gebruik wel altijd een compressor, soms zelfs twee tegelijk. Ik gebruik er nu eentje van Analog Man op de Stick. Verder heb ik nog een looper en een fuzz op het basgedeelte van de Stick. Op het hoge gedeelte gebruik ik alleen een distortion en een tubedrive.’


De Chapman Stick
Het eerste prototype van de Stick stamt uit 1970. Bedenker Emmet Chapman zocht al jaren naar een instrument waarop hij zijn tienvingerige tapping-techniek volledig tot uitdrukking kon laten komen. De gitaren die hij bespeelde, waren voor deze techniek al snel te beperkt. Bij de tapping-techniek druk je snaren in op de toets. Doordat de snaren heel dicht op de hals liggen, kost het ook veel minder kracht om de snaren in te duwen. De Stick is qua opzet zeer eenvoudig. Het is eigenlijk gewoon een grote plank met snaren zonder body. Aan de achterkant zit een houder die je aan je riem kan bevestigen en aan de bovenkant van de hals zit een kleine band die je onder je armen doet. Het instrument heeft een baskant en een gitaarkant. Het element is één blok met twee gescheiden kanten die je ieder door middel van een speciale stereokabel naar z’n eigen versterker kan sturen. Meestal wordt hiervoor een basversterker en een gitaarversterker gebruikt. Je kan dus ook op beide kanten andere effecten zetten. Halverwege de jaren ’70 kwamen de eerste Sticks op de markt. De standaard Stick is een tiensnarig instrument met vijf gitaarsnaren en vijf bassnaren. Tegenwoordig is de twaalfsnarige Grand Stick populairder. Deze heeft zes bassnaren en zes gitaarsnaren, maar er is ook een uitvoering met vijf bassnaren en zeven gitaarsnaren. Er zijn eindeloos veel varianten van de Stick, zoals de achtsnarige Stick-bas. Een bijzonder instrument is ook de NS Stick. Dit instrument is ontstaan uit een samenwerking tussen Emmet Chapman en Ned Steinberger. Het betreft hier een achtsnarig instrument dat ook bespeeld kan worden als een gewone gitaar of bas. Het laatste nieuwe model is een twaalfsnarige Stick-gitaar. De stemming van een standaard Stick is zeer vreemd. De gitaarkant loopt van binnen naar buiten in stijgende kwarten; de baskant loopt echter van binnen naar buiten in stijgende kwinten, waarbij de dikste bassnaar in het midden van de hals ligt. Dit is zo omdat je op die manier met alleen de linkerhand makkelijker allerlei akkoorden kan spelen en daarmee de rechterhand vrij hebt om melodieën of solo’s te spelen. Je kan het instrument benaderen als een piano, omdat je twee handen hebt om tonen te pakken, zodat je complete pianoarrangementen op de Stick kan spelen. Maar je kunt ook met twee handen op de baskant spelen om meer basgerichte of percussieve lijnen te produceren, of met twee handen op de gitaarkant voor bijvoorbeeld solo’s. De mogelijkheden zijn onbeperkt. Enkele bekende Stick-spelers zijn Nick Beggs, Greg Howard, Bob Culbertson, Don Schiff en onze eigen Ron Baggerman.



 

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen