| Samen vormen ze de motor van de Nederlandse achtkoppige soulformatie Liquid Spirits. Medeoprichter en bassist Manuel Hugas twijfelde geen moment welke drummer hij moest bellen voor deze band: Cyril Directie. Manuel: ‘Cyril ken ik van alle drummers met wie ik werk het best. Met hem spelen voelt als thuiskomen.’
In een smalle, lange straat vlakbij de Amsterdamse Albert Cuypmarkt zijn we te gast bij Cyril Directie. Zijn twee dochtertjes stuiven rond door de woonkamer. Tussen box en bankstel, te midden van het speelgoed, hebben Cyril en Manuel een drumkit en een basversterker opgesteld. En dat terwijl we soms drummer-bassistenkoppels nog moeten vragen of ze als goede ritmesectiemaatjes ook bij elkaar over de vloer komen. Vriendschap en onderlinge persoonlijke chemie is onmisbaar voor muziekmaken, daarover zijn ze het roerend eens. Manuel: ‘Heel Liquid Spirits bestaat enkel uit bevriende muzikanten die we hebben gevraagd vanwege een gedeelde liefde voor soul en hiphop. Het is begonnen als een project van toetsenist Wiboud Burkens en mij. Onze eerste plaat was grotendeels geprogrammeerd, en vervolgens wilden we de nummers live gaan spelen.’
Samen muzikaal opgegroeid Bassist Hugas hoefde geen moment na te denken toen hij en Burkens een drummer zochten. ‘Cyril en ik hebben al zo lang dezelfde groove, dezelfde smaak... Cyril was de aangewezen drummer voor Liquid Spirits. Muzikaal zijn we met elkaar opgegroeid. Als je zo lang samenspeelt, dan beïnvloed je elkaar. Elke samenwerking binnen een ritmesectie is natuurlijk anders. Met Cyril voelt samenspelen als thuiskomen. Zodra Liquid Spirits live had gespeeld, was iedereen overtuigd: de volgende plaat moest met deze band worden opgenomen.’
Manuel en Cyril ontmoetten elkaar in 1993. Cyril: ‘Het begon met een sessie in café Naar Boven in Amsterdam. Op zondagavond, het begon om één uur ’s nachts. Dat sloeg nergens op! We zaten alleen maar te spelen voor werklozen en innemers... Sindsdien zijn we elkaar niet uit het oog verloren.’ Manuel: ‘Daarna gingen we spelen in café Meander, samen met Benjamin Herman op sax, Wiboud Burkens op toetsen en gitarist Jaco Abel. Sindsdien zijn we allemaal vrienden gebleven.’ In die tijd studeerde Cyril nog aan het conservatorium, terwijl Manuel net bij de band van Jan Akkerman was aangenomen. ‘Cyril en ik speelden na Benjamin Herman twee jaar bij Candy Dulfer, en we doen samen al een paar jaar Daughters of Soul. Dat is heel leuk, het zijn drie dochters van bekende Amerikaanse soullegendes. Lalah Hathaway zit erbij, de dochter van Donny Hathaway.’
Stevige grooves Liquid Spirits is ‘sweet soul met een sterke onderkant’, in Manuels woorden. ‘Wij houden allemaal van oude soulmuziek, we houden allemaal van hiphop en we houden net zo goed van alle stijlen die daar tussenin liggen. Wat we doen sluit wel aan bij de nu-soulbeweging, al is die over haar hoogtepunt heen. Die muziek begint nu een beetje vlak te worden. Wij houden van groovende muziek, van “sweet soul” als van Marvin Gaye en Minnie Ripperton, tot de stevige grooves van D’Angelo.’ Alles op de nieuwe plaat Music, die in april 2008 verschijnt, is live gespeeld. ‘Ondanks de hiphop-invloeden hebben we bewust geen loops gebruikt’, vertelt Cyril. ‘Als je drumpartij het hele nummer hetzelfde is, dan is het heel makkelijk om één maat te samplen en dan te knippen en te plakken. Dat deden we dus niet: als je zoiets van voor tot achter inspeelt, krijg je er meer leven in. De drums moeten het dansbaar houden, en dan is het vaak wel te gek als Manuel een drukke baspartij speelt.’ Manuel: ‘Of juist een heel rustige. Wij zoeken altijd de groove, maar van ons moet het nooit té strak. In elke groove zit een marge die je moet opzoeken, je moet bepalen hoeveel rommeligheid je kunt toelaten.’
Omdat ‘stevige sweet soul’ niets is zonder koortjes, heeft Liquid Spirits maar liefst vier zangers. Cyril: ‘Als je allemaal goeie zangers hebt, kun je ze elk ook wel een paar songs de lead laten doen. Daardoor is de plaat heel afwisselend geworden.’ Manuel: ‘Toch heeft de plaat van voor tot achter één sound. Een bijkomend voordeel: een koortje van drie kun je tenminste mooie akkoordjes laten zingen. Je staat met veel mensen op het podium, maar dat is wel gezellig. Waar we ook erg trots op zijn, is het nummer dat Leon Ware heeft ingezongen, de soulzanger die I Want You gemaakt heeft met Marvin Gaye.’
Experimenteren in de snoepwinkel Het album Music is opgenomen in de E-Sound Studio te Weesp, het voormalige Dureco-complex. Wiboud Burkens en Manuel Hugas produceerden alles zelf. Manuel: ‘Als eerste ging Wiboud met Cyril de studio in, dat was ontzettend leuk. De hele dag hebben ze alleen maar drumstellen zitten proberen, vellen en microfoons, en maar experimenteren om de juiste sound te krijgen. We hebben zoveel mogelijk spullen meegenomen naar de studio. Ik had al mijn bassen en versterkers en troep mee. Ons idee was een muzikantensnoepwinkel, zodat we elk idee direct konden uitproberen op verschillende spullen. E-Sound is helemaal te gek, het is een complete jaren ’70-studio met veel buizenmicrofoons en oude apparaten. Met de technici konden we goed werken en samen experimenteren. Soms tref je technici die hun eigen mening erdoor willen drukken. Als jij dan zegt: “Deze bassdrum heeft niet genoeg laag”, dan zeggen zij: “Wel waar!” Wat heb je daar nou aan?’
Hernia van de SVT De snoepwinkel van Manuel is helemaal gevuld met ouderwetse vintage zoetigheid. ‘Het meeste heb ik ingespeeld op mijn Fender Precision uit 1963 met flatwound snaren’, vertelt hij. Onder de brugkap zit een schuimrubber strip om de snaren te dempen. Cyril steekt er de gek mee: ‘Die bas is weet ik hoeveel duizend euro waard, en dan dempt ie de snaren met een stukje schuim van dertig cent!’ Manuel: ‘In de studio heb ik voor een direct signaal een Avalon U5-preamp gebruikt. Daarnaast hoor je vooral deze Ampeg B15, een buizencombo uit de jaren ’60 van slechts 25W. Al decennialang staat die standaard in heel veel studio’s; ik denk dat 70 procent van de bassen op Amerikaanse popplaten uit de jaren ’60 tot in de jaren ’80 zijn opgenomen met deze versterker. Er komt het beste basgeluid uit dat ik ooit heb gehoord, met een heel mooi dynamisch laag. Een goede buizeneindtrap in een basversterker geeft ook aan noten hoog op de hals een dragend geluid. Het is een zogeheten flip-top: je kunt de versterker omgekeerd in de kast hangen en het combo zo handig vervoeren. Deze heb ik uit Amerika gehaald. In Europa zijn ze bijna niet te vinden, want Ampeg begon pas na de tijd van deze B15’s aan de weg te timmeren in Europa, toen ze de SVT hadden uitgebracht. Dat gebruik ik trouwens live, een buizen Ampeg SVT met een 2x15”. Het rekening houden met de handigheid of het gewicht van spullen heb ik op een gegeven moment echt overboord gegooid. Ik heb op mijn 50ste misschien wel een hernia van die SVT, maar tot die tijd klinkt mijn basgeluid wel precies zoals ik het hebben wil.’
Duidelijk kiezen Toen Manuel begin jaren ’90 professioneel begon te bassen, vierde de vijfsnarige bas hoogtij. ‘Iedereen speelde actief, met veel hoog en een lage B. Ik was altijd al een buitenbeentje met mijn ouwe bassen, en voelde me soms een beetje lullig als de opnametechnicus een moderner geluid wilde. Nu besef ik dat ik me kan onderscheiden door juist duidelijk te kiezen voor wat ik zelf mooi vind. Oude spullen vind ik toch vaak mooier klinken. Waarom, dat zal wel eeuwig de discussie blijven. De Fender-bas is wel een enorme toevalstreffer geweest. Hij is nooit meer overtroffen en elke andere bas is ervan afgeleid. Jarenlang heb ik op een Fender Jazz uit 1962 gespeeld. Hij zit vol brandplekken: hij is eens gered uit een brandend huis. Op zeker moment ben ik geswitcht naar de Precision. De mijne is in de zeldzame kleur Lake Placid Blue, dat is erg vervelend want daardoor is hij nog twee keer zoveel waard als een sunburst uit hetzelfde jaar. Straks kan ik met die dingen niet meer veilig over straat!’
    
Klik voor meer foto's |